Lekker jong kutje pijpen in de natuur

lekker jong kutje pijpen in de natuur

Een enorm groot aperitief zal me uitstekend smaken na al deze aangrijpende dingen. We pakken dat kabelspoortje naar boven, daar weet ik enige geschikte kroegen Als we vanavond thuis zijn, heb ik een prachtige collectie meisjes in en zonder ondergoed voor je, ter aanmoediging en beloning van het in mij gestelde vertrouwen.

Ik heb een van mijn intelligente factotums in strikt vertrouwen opdracht gegeven, die verzameling bijeen te zoeken en naar hier te sturen. Begrijp jij de bijbedoeling? Jij moet heerlijk je buik vol krijgen van al die broekjes, anders loop je op je tachtigste jaar nog steeds opgewonden te turen.

Nu, kijk maar niet zo sip, je hebt er nog jaren de tijd mee! Overigens is ook voor volwassenen de verpakking en versiering zeer zeker niet zonder belang. Grote mensen zijn meestal niet zo groot als jij nu denkt. Heb je wel eens blote meisjes gezien? Ik ben benieuwd, hoe je dat bevalt.

Geloof je me niet? Ik ben er al eerder geweest. Je zult je daar geweldig vermaken, met sport en spel, aan het strand, vuurtje stoken. Ik vermoed, dat er wel een veertig of vijftig kinderen zijn, uit alle mogelijke landen, die zich gedeeltelijk in gebarentaal met elkaar onderhouden; dat is op zichzelf al een avontuur.

Er is goede leiding. We waren in de funiculaire gestapt. Nol vertelde, dat toen hij daar indertijd met zijn vader gebruik van maakte, het stijgen tien en het dalen vijf centimes kostte. Hij stond met een glimlach op zijn lippen te mijmeren. Er waren achter ons nog enige Nederlanders ingestapt, zodat we ons gesprek moesten onderbreken. Ik voelde mij plezierig-groot, omdat ik al gesprekken voerde die afgebroken moesten worden; Nol had zijn zonnebril afgezet en keek rond in het ding, dat eigenlijk een grote lift was, die schuin omhoog en omlaag ging, door kabels verbonden met een precies eendere tegenhanger, die begon te dalen toen wij eindelijk stegen.

In een hoek stond een minnend paartje, dat teder oog in oog stond en zo nu en dan zoende. Op de boulevards en terrassen had ik al opgemerkt, dat dit bij Parijs hoorde zoals paraplu's bij het Nederlandse straatbeeld. Nol oogde met een vertederde glimlach naar het minnende paartje, dat met de armen om elkaar heen en de hoofden dicht bij elkaar langzaam de straat overstak. En wat zou nummer drie zijn?

Ginette, pas par là! Als Claude, de patron van het kroegje waar we nu naar toe gaan, niet failliet is, zal ik hem naar zijn gehele familie vragen We liepen weer over de Place du Tertre. Nol vertelde mij, hoe het er in zijn kinderjaren uitzag en kwam toen terug op ons gesprek. Hij wilde graag weten, of alle kinderen van tien tot dertien jaar die ik kende, nu heus aldoor met de sex bezig waren.

Dat scheen hem zeer te intrigeren. En als we Indiaantje speelden, of rovertje, of zwommen, of vuurtje stookten, dan dachten we er geloof ik echt niet aan, maar er waren ook altijd weer dingen, die ons eraan herinnerden En dan dat muziek krijgen; je begrijpt dat dat me geweldig interesseert.

Voor de meeste mensen is sex aards en muziek hemels, dus precies tegengesteld. Maar hoe jij die nu dooreen mengt Nol drukte mij heftig tegen zich aan. Het was in de zomer van , toen ik Daphne voor de tweede maal zag. Er stond nu geen mooie, blonde vrouw bovenaan de trap om ons te verwelkomen. Odette was niet meer bij Arjen en Daphne. Zij had een jaar tevoren haar man en kind verlaten voor een andere man.

Daphnes vader begroette ons afgemeten en uitte vele klachten tegen Nol. Hij stond er op, ondanks het feit dat zijn hulpje in de huishouding hem de vorige dag in de steek had gelaten, een kop thee voor ons te zetten. De degelijke, plichtmatige gastvrijheid van zijn landelijke voorouders leefde nog voort in deze man. Daphne was er niet. Dat feit maakte meer indruk op mij dan de afwezigheid van haar moeder en alle daaraan verbonden consequenties. Door het open raam van de achterkamer hoorde ik kinderstemmen en toen ik naar buiten keek, zag ik Daphne in het trieste tuintje beneden mij.

Er waren daar enige kinderen aan het schommelen en met een kruiwagen aan het spelen. Daphne zat bij dit rumoerige troepje op een vuilnisemmer te lezen. Zij zag er minder goed verzorgd uit dan twee jaar tevoren en was aanzienlijk gegroeid. Ik observeerde haar aandachtig en vroeg mij af, of zij nog hetzelfde merkwaardige kind zou zijn. De eerste seconden leek het, of zij zeer rustig en volkomen verdiept in haar lectuur zat te lezen, maar dat was gezichtsbedrog. Ik zag haar weldra naar het raam van het benedenhuis kijken, waar ongetwijfeld iemand naar haar keek, en toen trok zij haar gebloemde jurkje op haar knieën.

Nog geen halve minuut later sloeg zij haar benen over elkaar, keek naar het voor mij onzichtbare raam en trok weer aan haar jurk. Dat ging zo een poosje door en toen zij nog enige malen van houding veranderd was, o. Zij hoog zich over een paar armzalige bloempjes, bekeek die aandachtig en vervolgens probeerde zij in gebogen houding de achterkant van haar jurk te zien, en toen dat niet gelukte, voelde zij met haar hand, hoe hoog haar jurk daar nu zat ten opzichte van haar rose broekje.

Dat was inderdaad nogal hoog. Even later snelde zij weg en pakte een klein zwart poesje,. Toen het diertje wilde ontsnappen, pakte zij de zoom van haar jurk aan weerskanten van haar benen vast, stond op en tilde haar jurk heel hoog op, tot boven haar middel bijna, wat een allerliefst gezicht was. Juist toen ik met leedwezen constateerde, dat er aan alle goede dingen een eind kwam, tikte Nol mij op de schouder en vroeg: Daphnes vader was op dat ogenblik afwezig.

Hij boog zich naar buiten en klapte in zijn handen. Het poesje was intussen definitief ontsnapt. Daphne beschutte haar ogen met haar hand en keek onder het uitroepen van: Nol glimlachte en zei: Wij hoorden haar spoedig de trap opbolderen.

Vlak voor haar vader sprong zij de kamer binnen en vloog Nol spontaan om zijn hals. Er volgde eenzelfde tafereel als twee jaar tevoren, maar nu duurde het korter, omdat Arjen zijn ergernis niet kon bedwingen en zei: Toen ontstond het eerste gesprekje tussen Daphne en mij.

Zij monsterde mij nog eens snel van top tot teen en zei: Daphne pakte me bij mijn arm en loodste mij snel de kamer uit.

Ze leidde mij een smal kamertje binnen, waarin een niet opgemaakt bed, een stoel en een tafeltje stonden; op dat tafeltje bij het raam stond de kooi met drie parkieten. Zij zag er wat armoediger uit, maar had nog dat bloeiende, gezonde, dat haar zo opvallend maakte.

Nu zijn ze rustig, maar soms jô We stonden ieder aan een kant van de kooi te kijken. Ik vertelde haar, dat ze eens bij mij thuis moest komen kijken, waar we een ezeltje hadden en een pony, rijpaarden, duiven, honden, katten, konijnen en kippen.

Zij luisterde met grote ogen, zonder langer dan twee seconden stil te staan, voortdurend van haar ene en dan weer op haar andere voet wiegelend, haar wat langer en slordig geworden haar bevingerend, langs haar bont gebloemde jurkje strijkend en toen viel ineens haar blik op het slordige bed.

Zij grinnikte verlegen en zei: De kuil in het bed en de driftig schuin opzij geworpen deken met het verkreukelde laken, riepen een beeld in mij op van een snel uit bed gesprongen Daphne in de lichtblauwe pyama, waarvan het jasje en de broek bij de stoel op de vloer lag.

Er was geen wastafel in het kamertje. Huppelde ze dan bloot naar de keuken, of hield ze alles aan net als de hoerenkinderen bij hun pomp, die ik wel eens bezig gezien had, als ik 's morgens vroeg een ritje maakte? Was ik maar een van die parkietjes Wat zou ik dat ontzettend graag zien! Met een paar snelle handgrepen stopte ze de pyama onder het kussen, trok de deken omhoog en wierp een groene sprei over het bed.

Zij haalde adem om wat te zeggen, slikte en zei dan: We stonden juist rug aan rug, toen Daphnes vader de deur opende en zei: Op een kastje, dat van een pakkist leek gemaakt, stond een zeer grote, zachte teddy-beer. Uit een houten wiegje pakte zij een pop met een wilde pruik zwart haar en slaapogen met lange zwarte wimpers, gekleed in een jurkje van felrode zijde.

Daphne wiegde de pop in haar armen. Het kamertje was met kleurige platen, die sprookjestaferelen en spelende kinderen uitbeeldden, versierd. Door het hoog opgeschoven raam klonk plotseling het aanzwellend, spookachtige geluid van een troep marcherende soldaten. Daphne schoof langs het tafeltje en boog zich ver naar buiten om te kijken. Een van de soldaten gaf een luide schreeuw en daarop begon de hele troep enkele tellen later hard en gescandeerd te zingen. Er zat een vuile veeg op Daphnes bovenbeen.

Zij had opvallend flinke, welgevormde benen voor een kind van acht jaar. Als ik gedurfd had, zou ik haar vastgepakt hebben met het excuus, dat zij bijna uit het raam viel. Zij kwam plotseling overeind en imiteerde het gezicht van een zingende soldaat zo komisch, dat ik het uitschaterde. Haar donkere ogen straalden, omdat ik haar aardig vond. We bogen ons ieder aan een kant van het tafeltje waarop de kooi stond uit het raam en keken de stampende en zingende soldaten na.

Mijn vader zegt, dat ze met Kerstmis verslagen zijn. Ga jij op de H. Ik ben 't jongste meisje van onze klas; dat komt omdat ik in Februari jarig ben. Dat ging wel gauw. Ik heb toen een klas overgeslagen. Vind jij het fijn op school? We keken een poosje zwijgend naar beneden in de straat, waar vrachtauto's en bakfietsen in- en uitgeladen werden en kinderen speelden.

Een meisje keek naar boven en riep: Toen kwam Arjen ons halen. Hij nam twee schilderijen mee. We hadden toen de auto nog. Daphne liep met ons mee de trappen af en wuifde ons hartelijk na. Maar voor dat kleine meisje is het 't ergste, vind ik. Arjen verbeeldt zich nu, dat hij Odette haat en dat kindje lijkt zo frappant op haar en zo weinig op hem Konden we haar maar meenemen hè? Bij ons is plaats genoeg.

Maar ja, als het zó eenvoudig was Hij wil Daphne persé bij zich houden. Hij zuchtte enige malen diep en vervolgde: Kunst, geld, godsdienst, politiek Hij drukte nijdig op zijn claxon omdat er twee Duitse soldaten zonder op of om te zien overstaken. Hoe is 't mogelijk met zulk vee de Franse legers onder de voet te lopen en de Engelsen de zee in te jagen, hoe is het bij God mogelijk!

Wat een smerige rotwereld. We hadden nóóit van dat eiland moeten afkomen, Bob, nooit En om zó machteloos te zijn! Maar je had toch weg kunnen komen, toen je Jacobson naar Londen stuurde? Nol maakte een gebaar van ongeduld en zei: De overgang van het paradijselijke eiland in de Middellandse Zee naar de krankzinnige wereld van eind Augustus was zeer schril geweest.

Het vaste land wachtte ons toen met extra edities van de kranten, bulletins, mobilisatie, wegen en stations versperd door militaire colonnes, vervoersmoeilijkheden, angst, paniek, het rustige vaderlandje opgeschrikt door algemene mobilisatie, en daarna de ontnuchterende schijnrust van het najaar en de winter. Oom Henri verliet in uniform het huis en Nol, in zijn bewegingsvrijheid beperkt door de oorlog, was veel meer thuis dan vroeger.

De hoofden van verzamelaars stonden in die tijd trouwens niet erg naar het aankopen van kunstschatten. Onze soldaten begonnen zich meer en meer te vervelen. Ik trad voor het eerst in het openbaar op in een liefdadigheidsvoorstelling en op enige ontspanningsavonden, in de provinciestad waar ik de H.

Het enige wat hij kon doen, was Jacobson en nog enige lotgenoten weghelpen naar Engeland. Maar nu, enige maanden later, in de vacantietijd, had het leven opnieuw zijn normale of bijna normale loop hernomen.

Men wende zelfs aan zijn eigen ergernis over de Duitse bezetting. Voor mij was het een belangrijke verandering, dat mijn vader nu zoveel meer thuis was dan vroeger, en dat daardoor het vriendschappelijke contact, dat in de vorige vacantie was ontstaan, steeds sterker werd. In deze tijd begon zich de controverse in de opvattingen van mijn ouders betreffende een belangrijk onderdeel van mijn karaktervorming af te tekenen. Mijn moeder had alle respect voor de kameraadschappelijke verhouding vader-zoon, ook al was zij persoonlijk niet tot een dergelijk experiment in staat.

In de komende jaren ontstonden er twee onverzoenlijke standpunten. Voor de verdediging van beide standpunten bestonden vele treffende citaten en voorbeelden uit de literatuur zowel als uit de ons omringende mensenwereld, die door beide partijen pro en contra werden aangevoerd, als er een discussie of een belehrend gesprek was.

Tot dramatische botsingen of onverkwikkelijke dilemma's, met mijn ziel als inzet, kwam het niet. Het was meer vooral dan wat mijn moeder betrof een stille, geduldige strijd tussen Oost en West, een strijd om invloed en prestige, waarbij de propaganda het belangrijkste wapen was.

Hij liet een zolderkamer speciaal als werkhol voor mij inrichten, waar ik ongestoord kon experimenteren. Ik kreeg in het begin van de grote vacantie enige lessen van een fotograaf, om mij op weg te helpen. De nieuwe liefhebberij gaf mij veel plezier. Met veel genoegen maakte ik een reportage van het dagelijks leven in en om De Beukenhorst, van mijn ouders te paard, van een nest jonge duiven, van de kreken, de vissersbootjes en de rivier, van schilderijen en heelden, en met bijzonder veel genoegen van meisjes die over de zware bakstenen kademuur hingen, en telelens opnamen van Liesbeth en anderen hij het strandje voor en na het zwemmen.

Die bijzondere foto's hadden Nol en mij op het denkbeeld gebracht, dat ik best geheime albums kon aanleggen, die ik zelfs hem niet behoefde te tonen als ik niet wilde. Ik moest aan die woorden denken, toen we van Arjen naar Odette reden en Nol over Daphne praatte.

Zou ik hem zeggen dat ik het zo betreurde mijn camera thuisgelaten te hebben, omdat ik Daphne zo'n bijzonder meisje vond, zoals er zelfs op het sprookjeseiland niet te zien waren geweest? Inplaats daarvan zei ik: De enige kans die we hebben is, dat die tocht naar Engeland, waar ze nu allerlei klungelige scheepjes voor klaarmaken, een groot fiasco wordt.

De Engelsen hebben nu eenmaal veel meer verstand van de zee dan de Duitsers. Laten we dus hopen, dat ze zó warm onthaald worden, dat er van al die scheepjes niets overblijft. Maar laten we ons niet druk maken; ons heeft niemand nodig. Zou je ze niet! De straat waarin Odette nu woonde was aanzienlijk minder triest en het huis, hoewel niet groot, was stijlvol ingericht. Odette had tranen in haar ogen, toen ze ons begroette. Zij was alleen thuis en begon bijna onmiddellijk haar hart te luchten.

Haar nieuwe man in spe was advocaat. Hij had veel belangstelling voor het toneel en had Odette geholpen, weer op de planken te komen. Mijn vader kende Louis, de advocaat, uit zijn studententijd; hij was een oude bewonderaar van Odette uit de vriendenkring van weleer.

Odette wilde van Arjen scheiden en in alle eer en deugd met Louis trouwen, om Daphne bij zich te kunnen nemen, maar Arjen wilde geen medewerking verlenen. Toen Nol de deuren weer had geopend en de wals van Chopin, die ik speelde uit was, riep hij: We hebben het dan zo opgelost: Verstandige knaap, heel, heel verstandige knaap.

Waar was ik, toen ik twaalf was, arm sukkeltje, en waar was jij toen? Toen was ik negen God, wat een heerlijke tijd. Waarom moet een kind eigenlijk groot worden? Hij haalde een zakdoek te voorschijn en zei met een vertederd stemmetje: Ben je nu weer fijn negen jaar, egocentrisch meisje? Zij pakte een tasje, bekeek zich in een spiegeltje en begon haar neus te poederen.

Ze glimlachte naar mij. Wil je die laatste wals nog eens voor me spelen, Bob? Nol remde heftig en boog zich schaterend over het stuur. De grap van het jaar! Die moet ik Odette vertellen! Was je dáár zo over aan het piekeren? Ik wil niet zeggen, dat ik geen dochter van Odette gewild zou hebben, maar Maar het idee, dat er maar één vrouw op de wereld zou zijn waar je van kunt houden is een bakerpraatje. De moeilijkheid is juist, dat er méér vrouwen op de wereld zijn, waar een man van kan houden!

En wat dan nog? Heb ik je niet al duizend keer verteld, dat ik nog altijd veel van de romantische knaap in me heb, die ik eens was? Illusies geeft een mens zelden helemaal prijs. Enne, als jullie nu eens wél getrouwd waren, waar zouden Daphne en ik dan zijn op dit ogenblik? Weet je wat je moest doen? Vraag dat nu eens aan je moeder. Het zou allemaal anders zijn gelopen, als mijn vader niet in de lente van het jaar van het strijdtoneel was verdwenen, om weer te voorschijn te komen toen het in zekere zin te laat was Stilzitten lag niet in Nols aard.

Toen hij in de zomer van eenmaal was begonnen, zijn binnenlandse relaties op te zoeken en op bescheiden schaal verder te werken, was het met het thuis zitten gedaan. Zó uithuizig als voor de oorlog werd hij niet meer, maar hij had het weer druk met allerhande werkzaamheden en bedrijvigheid, nodigde kunstenaars en liefhebbers uit om op De Beukenhorst te komen logeren, en maakte een begin met geheimzinnige activiteiten, waarvan hij mij vertelde, dat ik in het algemeen belang altijd maar net moest doen of ik er niets van opmerkte of begreep.

Toen bleek het plotseling nodig, dat hij verdween. Langs geheimzinnige kanalen bereikte hem de waarschuwing, enige tijd onvindbaar te blijven. Inderdaad kwamen er niet lang na zijn verdwijning twee mannen op bezoek, waarvan de een met een sterk Duits accent sprak, die aan iedereen in en om het huis vroegen, waar Nol was, waarop iedereen antwoordde, dat Nol een zeer vreemde, springerige man was, die al sinds jaar en dag de gewoonte had, zo maar maandenlang te verdwijnen.

Bijna alle gasten, die ooit De Beukenhorst bezochten, waren vrienden, kennissen en relaties van mijn vader, maar een enkele maal was er wel eens iemand, die door mijn moeder was uitgenodigd. Dit laatste was het geval met mijn achterneef Gerard, ook wel de Fat genaamd.

Achterneef Gerard was een ver familielid van mijn moeder, een jonge doctor in de klassieke letteren, leraar aan een gymnasium in een stad niet ver bij ons vandaan, waar hij zich in het najaar van gevestigd had. Ik herinner mij, dat Nol daarover eens zei: Gerard sprak zeer geaffecteerd en met dat uiterst vermoeide kraakje, waar Nol zo'n gloeiende hekel aan had.

Dat Gerards mooie doch koele ogen een bijzonder warme gloed kregen, als ze op mij gevestigd waren, scheen Nol wel te hebben opgemerkt, doch niet ernstig te hebben opgevat. De koele, vormelijke, uiterst beheerst-charmante Gerard had een buitengewoon grote belangstelling voor jonge talenten zoals hij zei en kon daar met mijn moeder op uiterst spirituele wijze over spreken.

Dat hij meer dan gewone belangstelling voor mij had was niets bijzonders. Bijna alle gasten demonstreerden die, hetzij dat zij geïmponeerd werden door mijn vroegrijpe virtuositeit, hetzij dat zij opgetogenheid veinsden om mijn ouders te behagen en mijn vader tot nog eens inschenken te bewegen. Het viel evenmin op, dat Gerard graag zijn welverzorgde hand op mijn schouder liet rusten of wel eens mijn wang of arm streelde. Zulke liefkozingen waren uiterst bescheiden, vergeleken bij de wilde uitbarstingen van sommige vertederde musici, die me in hun armen namen en aan hun borst klemden, of ik drie inplaats van dertien jaar was.

Nol had mij meer dan eens iets verteld over de juist in kringen van kunstenaars, kunsthandelaren en critici voorkomende soort mannen, die niet van vrouwen hielden maar alleen van mannen, vooral als die ook niet van vrouwen hielden. Maar in onze ogen was achterneef Gerard alleen maar overdreven verfijnd en spiritueel.

Die kun je doorgaans hieraan herkennen, dat ze hun hand op je knie leggen en het dan hogerop zoeken. Als je dat overkomt, deel je meteen een paar goed gemikte stompen uit, dat helpt voortreffelijk Het verbaasde mij nauwelijks, toen mijn moeder mij, na een rustige viering van mijn veertiende verjaardag mededeelde, dat het neef Gerard en haar genoegen zou doen, als ik in de grote vacantie met hem mee zou gaan. Het plan was, eerst een week bij Gerards moeder te logeren en daarna een tocht van twee weken door oude stadjes en langs leerzame historische bezienswaardigheden te maken, waarbij we in hotels zouden overnachten.

Mijn moeder was heel dankbaar, dat neef Gerard zijn kostbare tijd aan mij wilde geven, mij deze afleiding wilde bezorgen ik miste Nol hevig en mij en passant wat meer begrip voor de waarde van het verleden en de klassieken wilde bijbrengen. Zij zou mij graag naar een gymnasium hebben gezonden, maar Nol vond de H. Gerard had werkelijk enige kijk op muziek; hij demonstreerde een eerbiedige belangstelling voor mijn pianospelen en componeren. Hoewel ik hem niet sympathiek vond, kon ik niet tegen hem op, omdat hij heel interessant en geanimeerd kon vertellen en uitleggen, en bovendien een zekere geestigheid bezat.

Tot op het ogenblik dat we in de trein stapten, speelde Gerard zijn zelfbeheerste rol op een wijze, die achteraf beschouwd bewonderenswaardig, althans verbazingwekkend is.

Het verwonderde mij, uit de mond van een bijna dertigjarige, verfijnde, hooggestemde man een opmerking te vernemen over zo iets alledaags als mijn plus-fours. We waren zojuist een lege tweede klasse coupé van de ouderwetse boemeltrein binnengestapt en hadden onze bagage in het net gelegd. Ik keek naar de jongen, die hij aanwees.

Hij was iets kleiner dan ik, droeg een kort broekje en liep tussen zijn grotere zusje en moeder heen en weer over het perron, met andere reizigers wachtend op een trein, die te laat was. Naast zijn zwaargebouwde, plompe zuster leek de jongen fijner gebouwd en mooier dan hij wellicht was, als je hem alleen zag.

Nu was hij met één sprong naast me, sloeg zijn arm om mijn middel en drukte mij heftig tegen zich aan. Toen hij bemerkte, dat ik van zijn onverwachte reactie schrok, beheerste hij zich, trok zijn arm terug en zei rustig-opgewekt: Ik vind het een heerlijke bezigheid, tussen zulke mensenmassa's naar het mooie te zoeken Nu moet je eens goed opletten, hoe fijntjes en lief zo'n jongen is, sierlijk als een lelie Er stonden twee bonkige arbeiders met modderlaarzen aan.

Misschien zijn ze maar tien jaar ouder dan ons vriendje en zie eens wat een monsterlijke kerels, met hun dikke rode nekken en lichamen als ossen. Wie weet, is ons knaapje over vijf jaar ook al zo. Is het geen zonde, dat zo iets liefs maar nutteloos rondloopt?

Ik bedoel, bijna niemand let op dat bijzondere fijne, bloeiende van die jongen, en pas als hij grof en zwaar en harig is, maakt hij misschien kennis met wat men de liefde noemt en gaat er wellicht iemand op zijn charmes letten Zou jij zo'n jongen niet eens een beetje willen aaien en zo, als je met hem alleen was, of door hem geliefkoosd willen worden, Bobje? Tussen twee haakjes, jij bent veel mooier dan die jongen En kijk eens wat daarginds aankomt, twee jonge goden gelijk Hij drukte mijn arm.

Ik keek uit het raampje. Onze trein zette zich in beweging. Gerard had altijd een parfumgeurtje, maar nu was die geur zwaar als bij een mondaine vrouw die zich naar een bal begeeft. Met zijn mond dicht bij mijn oor, om gemakkelijker boven het dreunen en ratelen van de trein uit te komen, gaf hij een uitvoerig exposé over de knapenliefde bij de Grieken, over Plato, het beroemde Symposion, over alle grote geesten van de oude tijden tot heden, een waarlijk indrukwekkende lijst van kunstenaars en geleerden, die niet van de gewone, naar hun smaak platvloerse voortplantingsliefde hielden, maar wier hart uitging naar verfijnde genietingen met leden van het eigen geslacht, niet zelden naar knapen zoals ik er een was.

Dit betoog duurde ongeveer een uur en werd tweemaal onderbroken toen de trein stopte. Zijn verhaal was boeiend en overtuigend. Toen de trein voor de derde maal stopte, stapte er een moeder met twee jongetjes in onze coupé, die tegenover ons plaatsnamen. Het leek wel, of Gerard een verbond met de duivel had gesloten, waardoor alles precies zo liep en zich voordeed als voor zijn doel nodig was. Natuurlijk waren het elegante, opvallend mooie jongetjes, wel wat klein, maar heel aangenaam om te zien.

De jongste was ongeveer vier of vijf jaar en droeg zo'n gebreid kort broekje, waarin wat hij regelmatig met zichtbaar genoegen liefkoosde, zich geprononceerd aftekende, ook zonder die liefkozingen. De moeder, een slanke, lieftallige vrouw, gaf het ventje weldra een boek met plaatjes. Het andere jongetje kreeg ook een boek. Hij was ongeveer tien of elf jaar oud, een sprookjesachtig mooi kereltje, met glanzend donker, bijna zwart haar, een fijn, scherp gesneden gezichtje, grote, dromerige, glanzend donkerbruine ogen met lange wimpers, en matbruine, fraai gevormde armen en benen.

Hij droeg een lichtblauw kieltje met korte mouwen, het allerkortste donkerblauw fluwelen broekje dat ik ooit aan zo'n jongen had gezien, lichtblauwe sokjes en sandalen van bijzondere makelij. Gerard wisselde vertederde, vaderlijke blikken met de moeder over haar rustige, doch zeker niet dociele zoontjes, wimpelde luchtig excuses van de moeder af, als een beweeglijke kinderschoen zijn smetteloze pantalon raakte en observeerde de jongetjes met zijn vriendelijke leraarsblik, die zijn werkelijke gevoelens verborg.

Zelfs zijn eenzijdig ingestelde brein kon geloof ik nauwelijks aannemen, dat het oudste prinsje met opzet aldoor met zijn lange, wonderlijk mooie benen in de weer was, zijn knieën spreidde en bijna toonde wat verborgen moest blijven in het ultrakorte witte onderbroekje, zijn knieën weer sloot, zijn hakken op de rand van de zitting onder zich neerzette, dan weer zijn benen over elkaar sloeg en zo voort.

Een feit is dat, vooral als de moeder haar gezicht achter een tijdschrift verborgen hield, Gerard en ik geen oog van dat jongetje af hadden. Zo nu en dan stootte Gerard mij aan of gaf mij een blik van verstandhouding, waardoor de indruk werd versterkt, dat de lieftallige jongen daar door hem was be-.

Wij konden niet ononderbroken kijken en deden dit bovendien zo onopvallend mogelijk vanuit onze ooghoeken, maar toen ik op een zeker ogenblik geïnteresseerd naar een jolig rennend paard in de weide keek, voelde ik een duwtje van Gerards elleboog in mijn zij. Terwijl het oudste jongetje met een ernstige frons op zijn gezicht in zijn boek las, streelden de vingers van zijn rechterhand bovenaan het linker pijpje van het kledingstuk, dat hier maar nauwelijks de functie vervulde waar het oorspronkelijk voor was uitgevonden.

Wat zijn vingers daar streelden en kneedden was zo dicht bij de band, dat zijn vingers maar voor de helft verdwenen. De moeder bood de kinderen een snoepje aan.

Had zij opgemerkt, wat de jongen deed? Ik kreeg plotseling een misselijk gevoel, dat mij heftig benauwde. De moeder had het gezicht en de beschaafde, lieve stem van een reine engel; zij leek mij oneindig ver verheven boven ons kinderachtig gegluur en gepieker.

Ik stond op en keek naar buiten. Hoewel de zon achter nevelige wolken schuil ging, was de lucht scherp. Ik keek over mijn schouder door het raam aan de andere kant van de coupé en daarna weer naar de jongetjes. Het kleine jochie was tegen de moeder aan gaan staan, zoende haar hartelijk, legde zijn hoofd tegen haar borst en werd door haar geliefkoosd.

Haar smalle hand ging strelend langs zijn malse beentjes, klopte zachtjes op zijn bibs en toen hij zich omdraaide en met zijn ruggetje tegen haar geleund naar buiten keek, ging haar liefkozende hand tot rakelings bij het plaatsje, waar zijn eigen handje niet mocht strelen.

Ik stond met mijn rug tegen het portier en hield mijn gezicht alsof ik door de raampjes tegenover mij keek. Het leek alsof Gerard mij had opgesloten met dit gezelschap, of er niets anders meer bestond en de buitenwereld een onbelangrijk, vaag décor was. Als deze moeder alleen maar een reine engel was, mijlen ver boven alle sex verheven, zou ze geen zoontjes hebben, bedacht ik. Er kwam mij een zin in gedachten, die ik had vernomen uit de mond van een schoolkameraad, die mij op straat de mooie, trotse verloofde van zijn oudste broer had aangewezen en mij vertelde, dat hij het jonge paar kort te voren had afgeloerd, toen het.

Het zweet brak mij uit. Ondenkbaar en toch moest het waar zijn. O Nol, kon ik nu dadelijk maar met je praten! En waarom kleedde die beschaafde, lieve mevrouw haar jongetjes zo, dat ze heel wat leken? De trein minderde schokkend vaart. Het oudste jongetje stond op en keek naar buiten. Gerard glimlachte meer dan vertederd naar hem.

De vochtige, warme lippen van de jongen beantwoordden zijn glimlach. Gerard hielp de moeder galant met haar koffer, toen het gezelschap uitstapte. De conducteur controleerde voor de tweede maal onze kaartjes en sloeg het portier dicht. Ik had het raampje laten zakken en keek naar buiten leunend de moeder met haar poezelige jongetjes na.

Gerard ging achter mij staan en leunde zwaar tegen mij aan. Zou jij daar ook niet eventjes met je hand zó bij willen doen? Elf jaar was hij, toen we dit voor het eerst deden. Dat joch was er gek op en mocht mij graag. We hebben meer dan vier jaar pret gehad samen. Gerard begon te hijgen en zwaarder tegen mij te drukken. Kijk, daar ginds loopt ons vriendje, daar, achter dat hek op de weg. Denk je nu in, dat jij hetzelfde bij hem doet Ik staarde duizelig en verdwaasd in de aangegeven richting.

Walging en opwinding woelden in mij rond. Mijn benen en armen leken slap als was. Dit bevalt je wel hè? Ik hapte naar adem. Zonder zijn liefkozingen te staken, trok hij met zijn vrije hand het gordijntje voor het open raampje naar beneden en deed ook de gordijntjes voor de zijraampjes dicht. Plotseling liet hij mij los. Het was of er een dichte mist in mijn hoofd zat. Ik keek om en zag, dat hij het gordijntje voor het middelste raam aan de andere kant ook naar heneden trok.

Hij pakte resoluut mijn koffer uit het bagagenet, legde die op de bank en liet het deksel openspringen. Hij woelde ongeduldig tussen mijn kleren en haalde een korte blauwe sportbroek te voorschijn. Mijn handen trilden zo, dat ik de gespen van de pijpen niet los kon krijgen. Gerard hielp mij graag.

Hij wierp mijn plus fours op de openstaande koffer en toen ik mijn hand naar de sportbroek uitstrekte, liet hij het laatste restje zelfbeheersing varen, greep mij vast zoals nog niemand dat ooit had gedaan, buitelde met mij op de lege bank en smoorde mijn kreten met zijn mond. Ruimte en tijd bestonden niet meer. Ik ontwaakte uit een wilde, gloeiende bedwelming toen hij me schudde alsof ik in een diepe slaap was gevallen, terwijl de trein schokkend vaart begon te minderen.

We stonden stil bij het voorlaatste stationnetje. Er stapte niemand bij ons in. Ik voelde, dat mijn rug nat was van het zweet. Gerard vouwde met opgewekte gebaren mijn plus fours op, ordende de inhoud van mijn koffer en zei: Ik zat wezenloos in een hoekje, vechtend tegen opkomende tranen, en hield mijn ogen van hem afgewend.

Toen de trein weer begon te rijden ging Gerard naast mij zitten, nam mijn kin. Zijn ogen keken zo, dat ik bloosde als een meisje. Nooit gedacht, dat het zo plezierig kon zijn hè! Heb ik je pijn gedaan, ja? Je bent ook zo'n ongelooflijk heerlijk joch Hij liet mijn kin los. De gordijntjes gingen weer dicht. De coupé was in een geheimzinnig groenig licht gehuld.

Hij trok mij in zijn armen en keek me zo stralend in mijn ogen dat ik dacht: Ik voelde plotseling een sterke drang om te schaterlachen, maar tegelijkertijd begonnen zijn handen mij weer zeer geraffineerd te strelen en zijn lippen grepen de mijne.

Hij wekte een roes in mij, die mijn lichaam geheel doortintelde en mijn denken verdoofde. In mijn herinnering ontwaakte ik pas drie weken later uit deze roes en alles wat ik in deze drie weken leerde, genoot, verafschuwde, machteloos onderging en waarnam, is in mijn verbeelding omfloerst alsof ik al die tijd bedwelmd was.

Een van de dingen, die de meeste indruk op mij maakte was, dat vrijwel alle omstandigheden in het voordeel van Gerard schenen te werken. Reeds op weg van het station naar het landhuisje van zijn moeder, een wandeling van een kwartier, leek het vanzelfsprekend, dat tal van mooie knapen ons pad kruisten.

Twee ervan herinner ik mij nog goed. Ze droegen tennisrackets in hun hand, waren in witte tenniskleren en natuurlijk waren hun broekjes zeer kort en hun benen fraai gevormd.

Gerard betoogde, vatte samen en wees luchtig naar de decoratieve voorbeelden om ons heen en in het bijzonder naar de twee jongens in het wit, iets ouder dan ik, die bijna de gehele route voor ons liepen. Hij bracht mij de overtuiging hij, dat al zulke lieftallige knapen eenvoudig hunkerden naar de opwindende liefkozingen en spelen, waar ik in de trein kennis mee had gemaakt, maar dat zij zich uit valse schaamte of van gelijkheid aldoor bedwongen; dat ik hem heel dankbaar moest zijn, dat hij de gelegenheid schiep om na al die zelfbeheersing nu eens eindelijk uitvoerig en feestelijk uit de band te springen, en stapte luchtig over ons leeftijdsverschil heen.

Er waren ook jongelui, die eenvoudig niet wisten wat ze misten, en daar. Toen ik later eens zwakjes tegenwierp, of dit plezier nu werkelijk zo belangrijk in het leven was, volgde er een dringend betoog, waarvan de kern was, dat waar wij ons voornaamste plezier mee bedreven niet voor niets precies het middelpunt van het menselijk lichaam vormt Alles werkte in het voordeel van zijn zorgvuldig voorbereide plannen.

Gerards moeder, die reeds weduwe was toen hij nog een kind was, aanbad haar zoon en vond alles bij voorbaat goed en normaal, wat haar enige zoon deed. Zij was hulpbehoevend, sinds enige jaren, en werd verzorgd door een toegewijde huishoudster.

Beide dames waren enigszins hardhorend en kwamen nooit op de bovenverdieping van het huis. Dat Gerard en ik op één kamer sliepen, terwijl er een logeerkamer voor mij beschikbaar was, scheen niemand vreemd te vinden; evenmin, dat we aldoor was- en baadpartijen hadden, tot diep in de nacht in de weer waren en 's morgens uren werk hadden eer we beneden kwamen om te ontbijten.

Gerard was vrijwel onvermoeibaar en hij wilde niets liever dan dat ik ook minstens zestien uur per dag enthousiast was. Hij stopte mij vol eieren, room, pap, vlees en melk, waar hij die maar kon bemachtigen. Als hij geen sex met mij bedreef, en dat deed hij veel, praatte hij er over. Hij gaf mij zo boeiend mogelijke, met veel pikante détails doorspekte reportages van zijn liefdesavonturen met enthousiaste, blijkbaar onvermoeibare knapen.

Vroeger placht hij met zo'n vriendje langdurig op stille plekken te kamperen. Hij schilderde mij in vrolijke kleuren, hoe vrij je dan was in een wereld, die geen enkele belangstelling had voor een kamperende jongeman en zijn vriend, hoe je op elk gewenst uur in je tent kon kruipen en doen waar je zin in had, bij het geruis van de zomerwind in de dennen, het murmelen van beekjes of het tikken van regendruppels op het tentdoek inslapen in elkaars armen, helemaal vrij om aan en uit te doen wat je wilde, en met.

Het primitieve kamperen was, toen Gerard een kapitaaltje van een oom had geërfd, gevolgd door trektochten in een kampeerauto en verblijven in hotels. Dat laatste was minder vrij, maar bood weer prettige mogelijkheden, was geriefelijker, verfijnder en hygiënischer, vond hij. Ik ondervond dit aan den lijve; nooit van mijn leven ben ik zo vaak in bad geweest als gedurende deze drie weken met Gerard.

Hij was erg veeleisend en ik had niets in te brengen. Hoewel tenger gebouwd bezat hij een paar ongelooflijk sterke handen, waarmee hij mij kon maken en breken. Het bezichtigen van mooie plekjes en leerzame bezienswaardigheden was alleen maar ter afwisseling en tevens als de vlag die de lading moest dekken.

De regenachtige dagen in Gerards geboorteplaats waren nog maar inleidend kinderspel, vergeleken bij de wilde feesten in onze kamers van de vier hotels, waar wij respectievelijk onze intrek namen. Het kon nauwelijks meer verbazing wekken, dat we in drie van de vier plaatsen waar we vertoefden, door een strafmaatregel van de Duitsers 's avonds om 8 uur binnen moesten zijn. Daardoor was het vanzelfsprekend, dat we 's avonds niet meer uitgingen en Gerard mij na het diner naar onze kamer begeleidde, en na mij duidelijke instructies te hebben gegeven nog een poosje beneden ging zitten.

Dit ceremonieel diende om hem gelegenheid te geven, enigszins bij verrassing met de sleutel binnen te komen, terwijl ik volgens de instructies fris en gebaad in schoon ondergoed, of met niets aan, of met datgene aan wat Gerard had verzonnen, op bed lag te wachten in de een of andere verlangde houding; dat was dan omdat hij er van hield naar iets te kijken, dat ongewoon opwindend voor hem was, terwijl hij zich uitkleedde en zich genietend-talmend gereed maakte voor de uitbarsting, die na het korte treffen vóór het ontbijt de gehele dag door kleine vrijages en gesprekken was voorbereid.

Na de eerste wilde uitbarsting en een kort hazenslaapje volgden nieuwe spelletjes en spelen, afgewisseld met baadpartijen, verkleedspelletjes en dutjes.

Toen ik bijna drie weken van huis was, schreven we mijn moeder een reeds door vorige onder zijn toezicht vervaardigde briefjes voorbereid verzoek, nog een week te mogen wegblijven, omdat het ons zo buitengewoon goed beviel.

Mijn moeder schreef omgaand een instemmende brief terug. Of ik het werkelijk prettig vond, dat het vreemde avontuur een week gerekt werd, met het vooruitzicht, dat Gerard daarna een poos op De Beukenborst zou logeren, geloof ik niet. Maar ik had nauwelijks een eigen gevoel of wil, zolang de roes duurde.

Het briefje van mijn moeder had een zeer wilde, langdurige uitbarsting van hartstocht ten gevolge. Ik herinner me, dat er die avond laat luchtalarm was, met huilende sirenes en gedaver van luchtdoelgeschut, wat Gerard terstond aangreep om het zó bont te maken, dat ik huilde en schreeuwde.

Daarna troostte hij me alsof ik een kleuter was, welke vertroostingen geleidelijk overgingen in liefkozingen; hij bezat een bijzonder effectvolle techniek om, als je volkomen uitgeput en beu van alles was, toch een hartstocht en opwinding in je te wekken, zo hevig alsof je je al een maand op deze nieuwe uitbarsting verheugd had. De nieuwe dag was al enkele uren oud, toen Gerard mij eindelijk definitief met rust liet.

Hoe wij er in slaagden wakker te worden weet ik niet, maar omstreeks half acht in de morgen belde de huistelefoon langdurig en doordringend. Gerard koos dure hotels uit, naar ik aanneem omdat de kamers daar minder gehorig waren en de warmwatervoorziening royaler. Ik hoorde hem mompelen en mopperen en toen zei hij twee woorden, die mij uit mijn bed deden springen: De gordijnen waren gesloten en hij had een klein bedlampje aangedraaid.

Ik stond naakt, bevend en klappertandend naast Gerards bed. Ja, die staat hier al gereed. Zijn stem klonk steeds koeler en afgemetener. Hij reikte mij de hoorn over. De telefoon was zo duidelijk, alsof mijn vader naast mij stond. Hij keek met harde, liefdeloze en toch begerige ogen naar mij. Ik maakte een gebaar naar hem, dat hij een badjas om mij heen moest slaan, omdat ik het koud had, maar hij schudde met een hatelijk glimlachje zijn hoofd.

Hij zag er afstotend uit, met dikke wallen onder zijn ogen. Toen ik hem mijn rug toekeerde bedacht ik, dat hij die minstens zo bezienswaardig vond als mijn voorkant. Er sprongen tranen in mijn ogen. Mocht hij erg in zijn wiek zijn geschoten en je tegenwerken, dan pak je diezelfde hoorn, die je nu in je hand houdt van de haak en vraag naar meneer Muntendam, Mun-ten-dam, dat is de eigenaar van het hotel Hij is thuis, want ik heb hem al gesproken.

Het is die grote, donkere man met die zwarte snor, je zult hem wel eens gezien hebben. Je kunt ook even naar beneden lopen natuurlijk. Hij zal je graag even op de trein helpen als dat nodig is. Zodra de hoorn op de haak lag, sloeg Gerard zijn arm om mijn benen, duwde zijn gezicht in mijn schoot en begon mij te zoenen. Ik probeerde mij los te rukken en zei: Dat was een domme opmerking, want het was een van zijn liefste spelletjes, dat ik mij verweerde en hij me overweldigde. Als ik dan ook nog kreunde en huilde, kon hij zijn plezier niet op.

Zijn handen waren zó sterk, dat hij mijn beide polsen in één hand kon houden, zonder dat ik ze los kon krijgen. Ik kreunde en jammerde, en dat was helaas geen spel.

Toen zijn opwinding het hoogtepunt bereikte, rinkelde de telefoon opnieuw. Gerard liet het ding eerst enige tijd bellen, voor hij zijn arm uitstak en de hoorn pakte. Zijn lichaam drukte zwaar op het mijne. Het kussen was nat van mijn tranen. Dat, dat kunnen we zelf wel De jongeheer wordt uiterlijk half negen aan het ontbijt verwacht.

Zijn ze gek geworden? Of ik zo vriendelijk wil zijn te zorgen Ik voelde een woeste vreugde en had zin om luidkeels te lachen. Gerard maakte een beweging, of bij mij te lijf wilde. Plotseling werd hij uiterst nerveus en angstig. Hij kreunde en rende naar de badkamer. De ban was gebroken. Ik had maar één, alles overheersende gedachte: Uit de badkamer riep Gerard klagend: Ik schoof de gordijnen wijd open. De warme zomerzon deed mij de ogen sluiten. Heb ik je pijn gedaan?

Zal ik vragen of ze een dokter sturen? Gerard kwam mompelend en kreunend binnen. Ik haastte mij naar de douche en keerde neuriënd in de kamer terug. Gerard had zijn pyama en kamerjas aangetrokken en zat stilletjes op zijn bed voor zich uit te staren. Naar Nol, dacht ik, naar Nol! Ik voelde mij reeds in de veilige hoede van mijn machtige vader. Zwijgend kleedde ik mij aan en pakte mijn koffer. Met de deurkruk in mijn hand keek ik om.

Hij zat zielig ineen gedoken; een ziek aapje. Gerard schudde mistroostig zijn hoofd. Mijn galgenhumor ontging hem. Als ik je meegenomen had naar een bordeel zou hij 't me gaarne vergeven, maar dit Vertel hem maar niets Er kwam wat meer gloed in zijn monotone geluid. Gerard stond langzaam op van de rand van zijn bed en kwam naar mij toe. Ik opende snel de deur.

Er was een uitdrukking in zijn ogen die mij bang maakte. Toen ik een paar stappen had gelopen, ging de deur achter mij open, maar tegelijkertijd dook ergens uit het niets een piccolo op, die vragend mijn naam noemde en zei: Deze kant uit alstublieft Hij nam mijn koffer over.

Ik keek niet om. Wij hadden een kamer op de eerste étage. De piccolo was maar weinig ouder dan ik. Hij bekeek mij vanuit zijn ooghoeken met moeilijk te bedwingen nieuwsgierigheid.

Dat deden ook de beide Duitse officieren, die van de andere kant komend tegelijk met ons de brede trap afdaalden. De oudste, die ik later in de eetzaal met Herr General hoorde aanspreken, drukte zijn monocle in zijn oog en riep zo iets van: Ik boog en glimlachte maar wat.

De vorige avond had ik piano gespeeld en dat had nogal enig opzien gebaard. Nol had mij ingeprent om tegen Duitsers altijd maar vaag en beleefd te zijn; in je hart kon je dan denken wat je wilde. De eigenaar van het hotel kwam mij met uitgestrekte armen tegemoet en schudde mijn beide handen. Hij was een grote, zwaargebouwde man, met drie onderkinnen en enthousiaste blauwe ogen, die mij stralend van vreugde naar een tafel geleidde.

Ik wist niet, dat ik zo'n hoge gast onder mijn dak herbergde Hij keek mij niet begrijpend aan. Welnee, vanmorgen heel vroeg belde hij op Ik haalde verlicht adem. Ik schudde glimlachend mijn hoofd.

De man knikte lachend; zijn blauwe ogen twinkelden. Hij blikte opzij naar de tafel waar de twee Duitse officieren zaten te ontbijten. Hij maakte een buiging. Ja, die vader van jou, die is vast niet voor één gat te vangen. Hij heeft me eens een zeer grote dienst bewezen. Een man van goud. Ik knikte en voelde een brok in mijn keel. Haastig nam ik een slok thee en wist niets anders te zeggen als: Die is uit mijn privé-voorraad Zo, dus nu ga je naar je vader toe, het weerzien vieren.

Het leek me, dat hij niet zo erg ingenomen was met die meneer waar je mee uit bent? O ja, dat is waar ook Hij is nogal verstrooid, zei je vader. Of ik daar even naar wilde informeren Ik telde mijn geld uit op de tafel. Daarna praatten we nog wat over mijn toekomstplannen.

Muntendam bracht mij persoonlijk naar de trein. Een piccolo droeg mijn koffer. Het deed hem genoegen, een kleine wederdienst aan mijn vader te kunnen bewijzen, verklaarde Muntendam herhaaldelijk. Hij merkte ook op, dat ik er slecht uitzag. Ik zei, dat ik slecht had geslapen door het luchtalarm en het geschiet van de vorige avond.

Toen de trein binnenreed vermaande hij me nog eens vaderlijk, goed op te letten bij het overstappen en gaf me een voor die tijd rijk voorzien lunchpakket. Met moeite vonden we een plaats voor mij in de volle trein. Het afscheid was hartelijk. Van het begin van de reis herinner ik mij weinig. Ik zat slaperig tussen bejaarde vacantiegangers, die mij meewarig aanstaarden naar ik meende.

Na ongeveer een half uur moest ik overstappen op dezelfde boemeltrein, waarmee Gerard en ik de heenreis. Het was een winderige, tamelijk frisse Augustusmorgen, met een blauwe hemel waaraan grote, witte wolken telkens het zonlicht onderschepten. Ik stond te wachten op hetzelfde stationnetje, waar drie weken geleden de moeder met de twee mooie jongetjes was uitgestapt. Er waren nu geen mooie jongens te zien en ergens had ik het gevoel, dat dit vanzelfsprekend was, nu ik niet langer de speelpop van Gerard was en op weg was naar Nol.

Het perron was bevolkt door families met schreeuwende kinderen en groepjes trekkers en treksters met rugzakken en dekens, die malle petjes en bonte doeken droegen en zeer veel lawaai maakten. Wat wel aan de vorige keer herinnerde was een lege coupé tweede klas, waarin ik nu geruime tijd ongestoord dommelde. Ik schrok wakker uit een droom, toen de trein vaart minderde. Duidelijk hoorde ik Gerard zeggen: Zodra de trein stilstond, werd het portier geopend door een man met een vriendelijk, blozend gezicht, die een omvangrijke bagage naar binnen hees en in de netten legde.

Hij werd gevolgd door zijn vrouw en drie dochters van respectievelijk elf, twaalf en veertien jaar, waarvan er één een vioolkist droeg. De man en de vrouw namen naast mij plaats, de meisjes gingen tegenover mij zitten. Het was een opgewekte, innemende familie, welke mij spontaan in haar midden opnam. De moeder, een kleine slanke vrouw met een geestig gezicht met grote, vooruitstekende boventanden, informeerde belangstellend, of ik mij niet goed voelde,.

Ik verklaarde blozend, dat ik door het oorlogsgeweld heel slecht had geslapen en dat mij niets mankeerde. Het oudste meisje en ik wisselden een verlegen blik. Ik keek naar buiten. Op het perron ging een groepje marechaussees met enkele gevangenen voorbij.

De gehele familie keek naar het perron. Hij knikte mij toe alsof ik zelf een man met een gezin was. Het jongste meisje leek treffend op de vader, een gemoedelijk dikkerdje met rossig haar, veel zomersproeten en een blanke huid. De beide andere meisjes waren mager en hadden de smalle gezichten en grote tanden van de moeder. Ze waren geen van drieën mooi, maar straalden iets uit dat een mengeling was van ontwakende vrouwelijkheid, intelligentie en speelse humor.

De meisjes plaagden elkaar wel voortdurend, maar niet kattig. Dat alle vijf de familieleden heel veel van elkaar hielden sprak uit al hun blikken en woorden. Ik voelde me jaloers en gelukkig tegelijk. Zij neuriede het thema. Ik floot het thema.

De vader moest opstaan en een der koffers uit het net tillen. Naast zijn glundere gezicht zag ik een ogenblik dat van Gerard. De koffer bevatte boeken, muziek, een fluit in foudraal, pyama's en andere kledingstukken. De familie gunde mij de overwinning met sportieve bewondering. Er volgde een vrolijk en verward door elkaar praten en roepen, dat geleidelijk overging in vertellen om beurten. De vader was een enthousiast amateur-violist, die in een strijkkwartet speelde.

De moeder en het oudste meisje speelden piano en hadden zangles gehad. Het tweede meisje speelde altviool en het derde fluit. Toen ik hen over mijn muzikale opleiding vertelde, viel er een eerbiedige stilte. Daarna ontspon zich een geanimeerde discussie over lievelingsmuziek, klassieke en moderne componisten, musiceren en het concertleven, welke voortduurde tot het eindstation was bereikt, waar de familie moest overstappen in een andere trein en Nol mij stond op te wachten.

Hij zag mij, terwijl de muzikale familie opgewekt afscheid van mij nam, waarbij ik intussen trachtte naar hem uit te kijken. Daar kon de bbc nog een puntje aan zuigen. Je kon het zo gek niet bedenken, of het was er. Van de ontploffing van de eerste hbom, tot het huilen van een vrouwelijke baby. Van schietende nazis tot schietende stasis, die geluiden leken erg veel op elkaar. Van 2 hooggehakte dames, tot paard in draf, het verschil kon je moeilijk horen.

Van boerenkar op landweg, tot spitsuur op de champs élysées, die hadden ook veel overeenkomst, het schoot allebei niet erg op. Héé zullen we is even met zijn allen keihard op de grond stampen? Ja zullen we is doen? Ik nee namelijk altijd dit programma op en dan kom ik vanavond thuis, dan draai ik dat bandje terug ik zet het volume op tien en dan zeg ik: Ik heb een keer in Roermond 5,5 gehaald, daar moeten we vanavond overheen. Bedankt, ik zal dit niet licht vergeten. Overal waar het geluid hem heen bracht, daar was hij.

Kwam het geluid van de metro van Amsterdam tot hem, dan waande hij zich in een overvolle wagon, omstuwd door zwartrijders, die gewapend met scherpe fileermessen en korte hakbijlen de controleurs te lijf gingen. Draaide hij een bandje met muziekwinkelgeluiden dan was hij in een muziekwinkel. Zette hij een bandje op met open haardvuur, dan werd het vanzelf warm en gezellig in huis. Wilde hij een avond naar het café, dan stopte hij zijn kroegcassette in de recorder, startte, en hij was in de kroeg.

DE PIANO HEEFT GEDRONKEN en die barkruk heeft iets weg van jou het urinoir speelt Mozart en de flipperkast brult het Wilhelmus En de prijslijst heeft inflatie en mijn stropdas doet een hazeslaapje het tapijt moet naar de kapper en de gordijnen hebben hooikoorts de piano heeft gedronken de piano heeft gedronken de asbak gaapt luidruchtig en de viltjes hebben kippevel en de radio heeft keelontsteking en de pinda.

Zijn geluidenverzameling was wat de naald is voor de verslaafde. Zijn geluiden waren wat de muzikale fruitmand moet zijn voor de terminale EO-patient. Zijn cassetterecorder was de parachute, voor de piloot. Tenminste, als die open ging. Als hij dichtbleef, sloeg deze vergelijking de plank volkomen mis. Zijn cassetterecorder was de aan elkaar geknoopte lakens, het in een cake verstopte ijzerzaagje, de vluchtauto met handlangers, de helikopter en de omgekochte cipier tegelijk.

Hij kon prachtige wandelingen maken in om het even welk bos. Dan startte hij zijn boscassette en verstoof met zijn spuitbus met boslucht wolkjes woudgeur zijn kamer in. Hij had een spuitbus met boslucht, ozonvriendelijk, anders loste je er nog niets mee op. Ja, de ozonlaag maar dat kon niet de bedoeling zijn.

Tijdens een van deze schitterende wandeling de blauwe route, of het kon ook wel de rode paaltjes geweest zijn, bedacht hij zich, dat hij toch maar bofte.

Moeder natuur mocht dan langzaam door de mensheid haar nek worden omgedraaid, voor hem bleef zij tenminste op cassette nog behouden.

Hij kwam zelden mensen tegen in het bos. Af en toe een paar joggers. Maar verder kwam hij bijna nooit mensen tegen, in het bos. Een keer was hij de electriciteitsmeteropnemer tegengekomen.

Maar in het bos was geen stroom, dus hij had hem weggestuurd. Een andere keer had de melkboer gevraagd of er nog melk moest zijn.

Dat kocht hij thuis wel, anders moest hij er het hele eind mee lopen sjouwen. Hij kende alle vogels bij naam. Zeldzaam waren de prachtige momenten dat hij de zang van de kneu hoorde. Op heel soms de polifinario, omdat er door een technisch misverstand een klein stukje van een theatershow van Toon Hermans op de boscassette terecht was gekomen. Met dat geluid nog in zijn oren liep hij dan tevreden en opgeruimd weer naar huis. Ik had eens een vriend en die jongen had zo'n achtelijke hobby!

Hij was daar erg goed in. Hij kon werkelijk alle eetbara van alle oneetbare paddestoelen onderscheiden. Nou ja behalve die ene dan. Dat was wel een heel mooi exemplaar. Er stond ok nog iets op: Utrecht 4, Bunnik 2. Af en toe ging hij naar de stad. Dan startte hij zijn stadsband en verstoof met zijn spuitbus met benzinelucht wolkjes stikstofoxide en koolmonoxide de kamer in.

Hij had een spuitbus met benzinelucht. Het was er druk. Hij flaneerde langs de boulevards, temidden van auto. Haringkramen, zwervers, junks, straatmuzikanten, draaiorgels, het hoorde er allemaal bij.

Soms liep hij tot diep in de nacht tot in de kleinste sloppen en stegen, maar hij vond nooit een hoer. Als hij niet in de stad was, op het land, in het café, bij het vuur, of waar dan ook, was hij wel bij zijn vijver te vinden. De vis was niet te beroerd, telkens als hij zijn hengeltje uitwierp, even in het aas te bijten. De vis wist toch wel dat hij niet verorberd zou worden. Vis bakken dat kon hij niet, laat staan fileren.

Van de eerste nederlandse hengelsportvereniging voor visueel en anderszins gehandicapten, een naam waarmee menig lid in de knoop raakte, had hij een sprekende dobber gekocht. Vroeger luisterde hij tijdens het vissen veel naar de radio. Maar sinds goedkope ellende, nonsense en gebakken lucht in de ether de eerste partij waren gaan blazen, had hij het medium definitief het zwijgen opgelegd.

Urenlang kon de radio noninformatie in je oren spuiten, waar je als luisteraar totaal niet om gevraagd had. Tot zover demis roessos met my friend the wind. Het is tien voor tien geworden bij EO's tijdsein en we gaan praten over de valutacrisis binnen de europese gemeenschap. En dat doen we met onze correspondent in Straatsburg, Haje Thomas.

De uiterst deplorabele situatie van het britse pond was voor premier Mayor aanleiding de Duitse centrale bankop zijn knieën te gaan smeken, de hoge rentestand omlaag te brengen. Pas dan zou het pond weer iets ruimer in zijn financiële jasje komen te zitten waardoor de geldmarkt weer even opgelucht adem zou kunnen halen. Sinds hij de radio definitief monddood had gemaakt, was het stiller geworden, bij hem in huis.

En stiltes waren vijanden van zijn wereld. In stiltes kon je zoveel horen. De koelkast, die aan- en uitging het tikken en suizen in de buizen van de centrale verwarming klikklakkende meisjeshakken Het ophalen van vuilniszakken klopborende buren en de bel, van de versman lijn 4, die eens per tien minuten langskwam.

Na verloop van tijd Twee dagen later kreeg hij een wereldidee. Hij kocht een wereldontvanger. Dat was nog eens wat anders dan dat laag bij de grondse gebeuzel op onze nationale radio. In zijn kamer kon hij nu de hele aarde bereizen. Dagenlang zat hij gefascineerd te luisteren naar radio Ho tsji Minstad, De stem van Swaziland, radio Utrecht, radio freedom, the voice of America en radio Moskou.

De glasnost stroomde zijn kamer binnen. Maar het was waar. Ze had zo lang voor het vlees in de rij moeten staan, dat het bedorven was, tegen de tijd dat ze thuiskwam. O, wat was hij in zijn sas met zijn nieuwe wereldradio. Hij hoorde verre, vreemde verslagen over revoluties en staatsgrepen, en rare berichten in exotische talen.

Hij verstond er geen zak van, maar hij vermoedde wel, dat er duizenden doden bij vielen. Ik heb laatst een bijnadoodervaring gehad, ken je dat? Het was prachtig precies zoals je je het voorstelt. Met een tunneltje met aan het eind licht en petrus en zo, schitterend. Maar weet je hoe dat nou kwam? Nou dat was eigenlijk heel stom maar ik had mijn tanden per ongeluk gepoetst met midalgan, die tubes lijken zo ontzettend veel op elkaar. Maar het was zo fantastisch en ik had ook helemaal geen spierpijn meer en ik kreeg het lekker warm, dat kwam natuurlijk door het vagevuur.

O, als ik dood zal, dood zal zijn. Kom dan, en fluister iets liefs. Mijn bleke ogen zal ik opslaan, en ik zal niet verwonderd zijn.

Ja, mooi hè, dat is poëzie. Dat is een hel oud gedicht van J. Hij is nou al lang dood, maar hij heeft daar toch maar mooi over geschreven. Volgens mij was Leopold de eerste nederlander die een bijnadoodervaring heeft gehad.

Ik verzamel gedichten over dood. Ik heb al een hele plank vol. Plank hangt boven mijn bed, als die morgen naar beneden flikkert ben ik hartstikke dood, maar ik kan er nog wel even een doen, deze is van P' C. Boutens, ook een hele oude dichter, ook al lang dood. Goede dood, wiens zuiver pijpen, nou nee dat lijkt me in dit verband toch niet zo'n geschikt voorbeeld.

Weet je wat het is met die dood, leuke mensen gaan altijd te vroeg dood, en de grootste eikels worden honderd. Volgens mij doen ze het er ook een beetje om, die eikels. Volgens mij gaan ze gewoon zo lang mogelijk zitten zieken hier op aard, om zoveel mogelijk mensen maar het leven zuur te kunnen maken. Ik zelf ga bijvoorbeeld heel vroeg dood, en nou zat ik laatst bij de tandarts, en daar lag een blaadje van de nederlandse donorvereniging.

Die hebben zo'n veertiendaags orgaan, ja zelfs in braille, dat is voor de mensen die op een hoornvliestransplantatie zitten te wachten, en in dat blaadje stond een heel interessant artikel over de zwarte donororganenmarkt. Daaruit bleek dat een gemiddeld mens voor ongeveer acht ton aan organen in zijn body heeft zitten.

Als er leven na de dood is kan je op die manier een behoorlijk vermogen opbouwen. Maar ja, dat weet je nooit zeker en om nou je nabestaanden op te zadelen met een vermogen van acht ton, dan krijgen ze weer ruzie en slaan ze mekaar de hersens in en dan gaan die ook allemaal weer dood. Uiteindelijk heb ik besloten een donorcodiciel in te vullen.

Ik heb daar wel een voorwaarde aan verbonden. Ik heb gezegd okee jongens ik vul dat donorcodiciel in, maar dan wil ik wel dat mijn organen na mijn dood nuttig gebruikt worden. Dus, stel dat ik eerder kom te overlijden dan Janmaat, en Janmaat zou na mijn dood nog veel plezier van mijn ogen kunnen hebben, dat is wat mij betreft geen enkel probleem.

Ik vind dat meer mensen zo'n donorcodicil zouden moeten invullen. Ik vind dat iedereen zijn steentje aan deze problematiek moet bijdragen, al is het maar een niersteen. Niets meer om handen, hart verpanden. Daar ben ik heel hard in. Ik durf zelfs te stellen: En somaliërs mogen nog best politiek asiel aanvragen in Nederland, maar dan wel op schiphol, maag eruit, hebben ze tenminste geen honger meer. Studenten mogen nog best zes jaar studeren maar dan wel, linkerhersenhelft inleveren, en corpsballen de rechter.

En ik vind dat al die trendy lui die zo nodig naar een blinde cabaretier moeten komen kijken, hun verwende kloteogen nou eindelijk maar eens bij die organenbanken zouden moeten Gadverdamme waarom verzin ik dit toch allemaal.

Vind je het niet vreselijk dat dit soort gedachten überhaupt tussen twee slapen heen en weer kan ketsen? Ik word soms toch zo ziek van mezelf! Ik had dat laatst ook weer eens en weet je wat ik toen gedaan heb? Toen heb ik maar eens een slokje uit een flesje oil of olas genomen. En weet je wat er gebeurde? Ik werd een en al zachtheid van binnen. Zachtheid, goedheid en blijheid. Ik begon zelfs een beetje in god te geloven en er kwam een collecte aan de deur.

Een collecte, voor blinden en ondanks de nederige excuses van de collectante pakte ik met een brede glimlach mijn portemonnee, en ik stortte al het geld dat ik had in die bus.

De bus werd ontzettend zwaar, de collectante liep bijkans krom toen ze naar de volgende op weg ging. Nou, die gaat straks de wao in, dacht ik, maar dat geeft niet, want dan kan ik voor haar ook weer geven.

O het was zo geweldig, ik gaf aan alles. Ik gaf aan de wilde ganzen, die ik vroeger alleen maar gegeten had, ik gaf aan weesjes in Roemenië, ik begon zelfs platen van Gert en Hermien te draaien. O het was zo geweldig, ik voorzag junks van overdoses, zwervers bood ik achtgangendiners aan, tot op een dag het flesje leeg was.

Toen ging de bel, het was de deurwaarder. Hem kon ik niets meer geven. Na verloop van tijd ontdekte hij, dat je op de wereldontvanger ook de polietieradio kan afluisteren. Op uiterst luchtige wijze werd daar gedebatteerd over de ernstigste delicten. Langzaam maar zeker werd hij door de wereldradio geobsedeerd. Steeds vaker meende hij het woord dood te horen, in alle talen.

Wat een verrotte troep was het toch op die ellendige wereld. Ik vertrouw niet op de joden omdat ze palestijnen doden de palestijnen vertrouw ik ook niet omdat ze joden doden ik vertrouw niet op de zoeloes omdat ze cxosas doden de cxosas vertrouw ik ook niet omdat ze zoeloes doden de sjiieten, de soenieten, zijn al jaren op elkaar aan het schieten de kirgiezen, de oezbeken willen het liefst elkaars nek breken iedereen wil uebermensch zijn dat is altijd zo geweest, en dat zal altijd wel zo blijven, zolang er mensen zijn.

Armeniërs, azerbeidjanen vietnamezen, amerikanen chinezen, tibetanen indiërs en pakistanen koreanen amerikanen russen, afghanen christenen mohammedanen iedereen wil uebermensch zijn.

Hij werd steeds bozer en agressiever. Dan probeerde hij zich tot kalmte te manen, door urenlang in het bos te gaan wandelen. Ook in de stad vond hij nergens rust. Soms was hij zo kwaad, dat hij wel bushokjes in elkaar zou willen trappen, maar hij wist niet waar die stonden.

Twee dagen later deed hij iets, dat hij nog nooit gedaan had. Hij verliet de veilige begrensdheid van zijn kamer, en liet zich per taxi vervoeren naar een heuse muziekwinkel. Daarbinnen stonden alle denkbare en ondenkbare instrumenten opgesteld.

Klarinetjes, trompetjes, kornetjes, fagotjes, hoorntjes, trombonetjes tubaatjes, saxofoontjes suzafoontjes blokfluitjes, dwarsfluitjes bazuintjes, kromhoorntjes, pommmertjes zinkjes schalmeitjes kazoetjes mondharmonicaatjes accordeonnetjes bandoneonnetjes melodicaatjes harmoniumpjes orgeltjes synthesizertjes clavecimbeltjes clavicortetjes hammerklaviertjes, pianootjes fortetjes vleugeltjes spinetjes draailiertjes altviooltjes cellootjes contrabasjes, vedeltjes gambaatjes viooltjes, violofoontjes zingende zaagjes, balalaikaatjes banjootjes joekelilletjes basgitaartjes gitaartjes cembalons citartjes luitjes mandolinetjes mondharpjes bongootjes castagnetjes congaatjes handtrommeltjes pauketjes sambaballetjes tablaatjes tamboerijntjes, vibrafoontjes xylofoontjes buisklokjes triangeltjes etceteraaatje etceteraatje.

Hij vroeg aan de verkoper of hij hem er heen wilde brengen. Ik vind het heel moedig als mensjes zoals u stapjes gaan ondernemen op hun levenspaadje, maar het moet wel leuk blijven, nietwaar. Ik vind het prima, als ze alle drempeltjes onder de deurtjes weghalen, maar het mag niet gaan tochten, wat maar al te vaak gebeurt. Ik herinner mij een sprookje, dat daar over ging. Maar de blinden vonden dit niet leuk. En ze vroegen God? En de blinden vroegen: Maar de blinden namen dat niet.

Ze onttroonden God, en zetten een jongen die nog een heel klein beetje kon zien op de troon, koning eenoog. En toen koning eenoog een half jaar aan de macht was, gebeurde er een wonder. Door een geweldige operatie kreeg hij zijn gezichtsvermogen terug. Maar ja, je kunt nog zulke goede ogen hebben, als daar een enorm dom stel hersens aan hangt, stelt het natuurlijk nog niets voor. En koning Eenoog was heel erg dom.

Hij was het resultaat van 30 generaties inteelt die weer het resultaat waren van 35 generaties inteelt. Vergeleken bij hem was Willem alexander een genie. En de koning ging weer zitten, en overzag zijn rijk met zijn klare, heldere, doch uiterst lege blik, en nu deed koning Eenoog iets heel erg doms.

Hij begon bevelen te geven en decreten uit te vaardigen, want hij wist wat goed was voor de blinden. Maar één blinde was het daar niet mee eens. Hij liep door alle mijnevelden heen, kroop onder het prikkeldraad door, maar hij had nog geen vijftig meter in onze vrije wereld afgelegd, of hij werd overreden, door een trekker van een boer, die op het land bezig was met boeren en toch niks beters te doen had.

Heeft u dan geen moraaltje gehoord meneertje in dit sprookje, reik nooit verder dan uw stok lang is. Ik had concertpianist kunnen worden maar ik heb het niet gedaan, want ik had een gezin te onderhouden. Je moet als mens je beperkingen kennen Het gebeurt niet, en ik ga nu een ander klantje helpen.

Nu kon hij zelf de bliksem laten sissen, de donder laten rollen, de zwepen van de koetsiers laten knallen, salvo's lossen uit ak47 machinegeweren, bommen tot ontploffing brengen bij gebouwen van rechtse instellingen, en eindeloze goederentreinen door de kamer laten rijden. Door de treinen ontdekte hij de kracht van het ritme. Zo'n soort indianenreservaat maar dan voor blinden. Dat lag vlakbij de Douwe Egbertsfabriek dat blindeninstituut. Als je vijf seconden je kop buiten de deur hield had je gelijk honderd waardepunten gespaard.

Maar op dat blindeninstituut hadden wij een leidster, juffrouw Klaartje. Ze was ongetrouwd, achter in de veertig, en ze wist wel, dat ze de rest van haar leven op dat blindeninstituut zou moeten slijten. En laat het nou net die juffrouw Klaartje zijn, die 's avonds aan mijn kinderbedje kwam zitten. Dan blies ze haar stinkende, gefrustreerde adem in mijn onbevlekte kindergezichtje en dan zei ze: Voor de deur stond een man, die engels sprak.

I,m the manager of the most famous popgroup in the world, and tonight we should give a concert. But one of the members of the band has fallen ill, the drummer.

Het concert was uitverkocht. Achter het podium stonk het naar bier en zweet. En toen ze het toneel op kwamen barstte er een orkaan van gejuich los, in hun richting.

..

Sex worstelen gratis bef

ONGESTELDE KUT NEGERIN MET DIKKE BORSTEN

Van de vier meisjes, wier broekjes een 9 of 10 verdienden, kwamen er drie uit arme gezinnen, waar blijkbaar weinig animo voor breien bestond. Hun pastelkleurige broekjes kwamen uit een winkel en dat was Het Ware. Het vierde meisje was een coquet, altijd lief gekleed kind, wier eigengemaakt witte broekjes bijna zo aardig waren als die van het uitverkoren drietal.

Ik vertelde over dit viertal met hetzelfde enthousiasme als Nol over de Impressionisten en sommige moderne meesters kon uitweiden. De jongens op school namen wel nota van dit viertal, maar de meeste aandacht ging naar grove meiden. Drie van de vier wilden weinig of niets van jongens weten, althans niet op die bijzondere manier, en de vierde en grootste, Liesbeth, die nu ongeveer twaalf moest zijn, had meestal een vast vriendje voor enkele maanden.

Naar haar keek iedereen. Liesbeth was lang, vlasblond en mooi. Zij kwam uit een erg arm gezin en droeg meer dan de helft van het jaar glimmend zwarte kaplaarzen, die haar altijd blote benen op de een of andere wijze bijzonder aantrekkelijk maakten in en onder de meestal te korte, dunne jurken. De meester kon haar niet goed uitstaan, omdat zij tergend onverschillig placht te reageren op zijn uitvallen, of de houding van beledigde koningin aannam.

Haar blauwgrijze ogen met de lange, tamelijk donkere wimpers en het hoog opgeheven, mooie neusje waren aardiger dan ooit, als de meester zijn geduld verloor. Terwijl ik enthousiast van mijn onderwerp afdwaalde, begonnen we een lange trap af te dalen. Het moet Donderdag zijn geweest, die gedenkwaardige dag op Montmartre, want het wemelde er van de kinderen. Een troepje kwam juist onze trap op, en mijn vader gaf mij een duwtje en een knipoog, want er waren enkele meisjes bij.

Terwijl Nol mij iets vertelde over deze Poulbots en ik het vrolijke troepje nakeek, keerde een van de meisjes terug, achterna gezeten door een jongen. Vlak voor onze voeten kreeg hij haar beet, een donkerharig, tamelijk mager meisje van ongeveer tien jaar, gekleed in zo'n weinig sierlijke schoolschort.

De jongen greep haar lachend om haar middel en stoeiend op het kleine platvorm tussen twee trappen zakte het meisje een eind achterover, haar schortjurk schoof omhoog, haar dunne benen trappelden, en toen rukte zij zich los en stoof weer naar boven. Zag je nu, hoe ontzettend leuk die bewegende benen in dat kleine witte broekje waren, zo De pijpjes waren leuk kort en niet al te nauw En die spiertjes daar Al met al sappig, gaaf, mals Een tikje sensueel al wel.

Ja, ik voel het wel zo'n beetje aan. Je begrijpt wel dat, als alle meisjes zonder jurk gingen lopen, de echte aardigheid er heel gauw af zon zijn We zullen eens kijken hoe ons dat bevalt; daarna praten we er verder over. Duizend tegen één als ik de school in de verte zie er zijn daar een paar stoepen waar de meisjes wel eens op zitten, en een muurtje met een heerlijke stang, waar ze wel eens aan ronddraaien.

Maar niet zodra ben ik bij die stoepen, of alle meisjes staan weer rechtop en de stang is leeg. Dat overkomt me toch zo dikwijls! En in de klas moet ik ook aldoor erg opletten, anders zie ik net niks. Nol had veel binnenpret over mijn betoog. We naderden een van de plantsoentjes, maar mijn vader stelde voor, eerst iets te gaan drinken op een terrasje aan de voet van de heuvel, vanwaar men omhoog kijkend de voorkant van de Sacré Coeur recht voor zich had.

Ik dacht na en volgde de richting van zijn blik. Er kwam een jongetje aan met een engelachtig gezichtje, donker, golvend haar, een jongetje van ongeveer negen of tien jaar oud, gekleed in een smetteloos wit kieltje, een zeer kort zwart fluwelen broekje, witte sokjes en sandalen, dat naast een forse vrouw onze kant op wandelde.

De vrouw moet ook mooi zijn geweest, de aandacht van Nol in aanmerking genomen. Tegen zo'n jongen moeten een heleboel meisjes het afleggen. Overigens is het precies een verkleed meisje. Ik oogde het mooie jongetje na. Zo is het begonnen. Het gaat niet altijd zo. En dat vertel je me nu pas! Maar luister eens, kereltje, jouw Nol is een erg goedgelovig mannetje, maar eh Wat is dat dan met die knipsels uit die patronenboeken?

Daar maak je toch geen muziek van Ik schudde mijn hoofd, keek naar de grond en schoof met de punt van mijn schoen over de trottoirtegels heen en weer. Laten we verder wandelen. Soms droom ik, dat zo'n meisje of zo'n jongen erg verdrietig is, en dat ik overal aai om het te troosten, vooral natuurlijk bij die fijne witte ribbeltjes en zo.

Maar meestal speel ik, dat ik de bovenmeester ben en zo'n meisje of jongen, die ik die dag toevallig erg goed heb gezien, na schooltijd in het kamertje laat komen, omdat zij of hij heel erg ondeugend is geweest, vreselijk ondeugend. En dan mogen ze kiezen: Nou, dan kiezen ze een pak voor hun broek en dan zeg ik tegen het meisje: En dan komt er echt een hoogtepunt in je opwinding, met heel plezierige gevoelens en daarna is het uit? In werkelijkheid heb je zoiets nooit gedaan?

Eén keer, een poos geleden, deden we eens schooltje en toen mocht ik de meester zijn en een aardig meisje en een heel lief jongetje over de knie leggen en een paar klapjes geven. We liepen door schaduwrijke plantsoentjes omhoog langs een kronkelend wandelpad met veel trappen en hier en daar banken in het groen. Het was er nogal druk met kinderen en hun moeders.

Valt dit grut ook in de termen om bekeken te worden? Ze zijn er voor hier, moet je maar denken. Ze weten het niet We zaten een poosje stil te kijken naar voorbijgangers, spelende kinderen en het lezende meisje tegenover ons.

Toen klopte Nol mij op de schouder en zei peinzend: Ik bedoel nu niet je hartsgeheimen, maar de opwindende geheimzinnigheid, het verbodene van je spelletjes Neen, ik plaag je niet, dit is ernstig bedoeld. Ik heb heel wat van je geleerd, waar ik als domme grote man niets van vermoedde. De wereld van de grote mensen zou, geloof ik, in schreien uitbarsten, als ze dit van jou wist. Zo'n begaafd kereltje en dan zulke liefhebberijen! Onze indruk is, dat je eerst een snor en harige benen moet hebben, voor er in een jongen iets kan gaan leven, dat op sex lijkt Nu is dat van jou inderdaad nog maar een aanloopje naar de sexualiteit, maar toch Ik verhaalde hem gehoorzaam, wat ik van mijn schoolkameraadjes had vernomen en daarna corrigeerde hij mijn voorstelling van zaken en vulde ontbrekende gegevens aan.

Daarna vervolgde Nol zijn onderwijzingen met enige ethische normen. Nol grinnikte en vroeg, of dit kijkspel mij nooit verveelde. Ik had er altijd een beetje een hekel aan, omdat ik me verlegen voelde, maar tegelijk vond ik het leuk. De meisjes en jongens zijn daar veel mooier dan bijvoorbeeld op school, met gazen feestjurkjes, witte kousjes en lakschoentjes, fluwelen broekjes Vooral 's winters valt dat op, als de meeste kinderen dik in de kleren zitten gepakt.

Dan keek ik altijd mijn ogen uit; bij de kinderen van school hebben ze thuis geen centrale verwarming en daar zie je dan geen blote armen en benen. In de zomer was het trouwens ook leuk, met spelletjes en stoeien op een grasveld En speeltuinen, daar zie je een hoop! Een sierlijk voorbij lopend bakvisje ontlokte Nol de verzuchting: Gaan die ook op broekenjacht? En als er wat te zien is, kijken ze meestal wel. Naar Liesbeth bijvoorbeeld, kijkt iedereen wel.

Op een van de laatste dagen voor mijn vacantie liep ik met Piet Poldermans bij school op en neer. Liesbeth stond daar ook. Ze droeg een jurk zonder mouwen en ik zei tegen Piet: Piet was het er roerend mee eens, we keken nog eens goed en toen zei hij: Dus al die kereltjes kijken hun ogen uit en kletsen er aldoor over en zo?

Er kwam nu een jongensachtige gretigheid over hem, alsof het onderwerp nu pas interessant ging worden. Nol wilde er alles van weten. Ik verhaalde hem ook over mijn laatste ontdekking, dat een paar boerenjongetjes en -meisjes vadertje en moedertje speelden ergens in het hoge gras van een berm; één meisje had haar jurk en onderjurk een eind omhoog getrokken, en de twee andere meisjes lagen met hun rokjes gewoon rechtuit, een beetje wijdbeens onder hun vriendje, die zijn onderlijf intensief tegen dat van zijn meisje wreef en erg rood werd in zijn nek.

Het gaat nogal vlug. Eerst stoeien ze een beetje en doen de meisjes net of ze niet willen, lopen hard weg en laten zich weer pakken.

En net als een jongen, die zojuist vernomen heeft, dat dat van de ooievaar niet waar is, denk ik hij mezelf: Moet je daar nu zo'n troepje lieve bengeltjes zien gaan Ga je mee, of wil je nog wachten, tot dat meisje daarginds op die trap gaat verzitten? Een enorm groot aperitief zal me uitstekend smaken na al deze aangrijpende dingen. We pakken dat kabelspoortje naar boven, daar weet ik enige geschikte kroegen Als we vanavond thuis zijn, heb ik een prachtige collectie meisjes in en zonder ondergoed voor je, ter aanmoediging en beloning van het in mij gestelde vertrouwen.

Ik heb een van mijn intelligente factotums in strikt vertrouwen opdracht gegeven, die verzameling bijeen te zoeken en naar hier te sturen. Begrijp jij de bijbedoeling? Jij moet heerlijk je buik vol krijgen van al die broekjes, anders loop je op je tachtigste jaar nog steeds opgewonden te turen.

Nu, kijk maar niet zo sip, je hebt er nog jaren de tijd mee! Overigens is ook voor volwassenen de verpakking en versiering zeer zeker niet zonder belang. Grote mensen zijn meestal niet zo groot als jij nu denkt.

Heb je wel eens blote meisjes gezien? Ik ben benieuwd, hoe je dat bevalt. Geloof je me niet? Ik ben er al eerder geweest. Je zult je daar geweldig vermaken, met sport en spel, aan het strand, vuurtje stoken. Ik vermoed, dat er wel een veertig of vijftig kinderen zijn, uit alle mogelijke landen, die zich gedeeltelijk in gebarentaal met elkaar onderhouden; dat is op zichzelf al een avontuur.

Er is goede leiding. We waren in de funiculaire gestapt. Nol vertelde, dat toen hij daar indertijd met zijn vader gebruik van maakte, het stijgen tien en het dalen vijf centimes kostte. Hij stond met een glimlach op zijn lippen te mijmeren. Er waren achter ons nog enige Nederlanders ingestapt, zodat we ons gesprek moesten onderbreken. Ik voelde mij plezierig-groot, omdat ik al gesprekken voerde die afgebroken moesten worden; Nol had zijn zonnebril afgezet en keek rond in het ding, dat eigenlijk een grote lift was, die schuin omhoog en omlaag ging, door kabels verbonden met een precies eendere tegenhanger, die begon te dalen toen wij eindelijk stegen.

In een hoek stond een minnend paartje, dat teder oog in oog stond en zo nu en dan zoende. Op de boulevards en terrassen had ik al opgemerkt, dat dit bij Parijs hoorde zoals paraplu's bij het Nederlandse straatbeeld. Nol oogde met een vertederde glimlach naar het minnende paartje, dat met de armen om elkaar heen en de hoofden dicht bij elkaar langzaam de straat overstak.

En wat zou nummer drie zijn? Ginette, pas par là! Als Claude, de patron van het kroegje waar we nu naar toe gaan, niet failliet is, zal ik hem naar zijn gehele familie vragen We liepen weer over de Place du Tertre.

Nol vertelde mij, hoe het er in zijn kinderjaren uitzag en kwam toen terug op ons gesprek. Hij wilde graag weten, of alle kinderen van tien tot dertien jaar die ik kende, nu heus aldoor met de sex bezig waren. Dat scheen hem zeer te intrigeren. En als we Indiaantje speelden, of rovertje, of zwommen, of vuurtje stookten, dan dachten we er geloof ik echt niet aan, maar er waren ook altijd weer dingen, die ons eraan herinnerden En dan dat muziek krijgen; je begrijpt dat dat me geweldig interesseert.

Voor de meeste mensen is sex aards en muziek hemels, dus precies tegengesteld. Maar hoe jij die nu dooreen mengt Nol drukte mij heftig tegen zich aan. Het was in de zomer van , toen ik Daphne voor de tweede maal zag. Er stond nu geen mooie, blonde vrouw bovenaan de trap om ons te verwelkomen. Odette was niet meer bij Arjen en Daphne.

Zij had een jaar tevoren haar man en kind verlaten voor een andere man. Daphnes vader begroette ons afgemeten en uitte vele klachten tegen Nol. Hij stond er op, ondanks het feit dat zijn hulpje in de huishouding hem de vorige dag in de steek had gelaten, een kop thee voor ons te zetten. De degelijke, plichtmatige gastvrijheid van zijn landelijke voorouders leefde nog voort in deze man. Daphne was er niet. Dat feit maakte meer indruk op mij dan de afwezigheid van haar moeder en alle daaraan verbonden consequenties.

Door het open raam van de achterkamer hoorde ik kinderstemmen en toen ik naar buiten keek, zag ik Daphne in het trieste tuintje beneden mij. Er waren daar enige kinderen aan het schommelen en met een kruiwagen aan het spelen. Daphne zat bij dit rumoerige troepje op een vuilnisemmer te lezen. Zij zag er minder goed verzorgd uit dan twee jaar tevoren en was aanzienlijk gegroeid. Ik observeerde haar aandachtig en vroeg mij af, of zij nog hetzelfde merkwaardige kind zou zijn.

De eerste seconden leek het, of zij zeer rustig en volkomen verdiept in haar lectuur zat te lezen, maar dat was gezichtsbedrog. Ik zag haar weldra naar het raam van het benedenhuis kijken, waar ongetwijfeld iemand naar haar keek, en toen trok zij haar gebloemde jurkje op haar knieën. Nog geen halve minuut later sloeg zij haar benen over elkaar, keek naar het voor mij onzichtbare raam en trok weer aan haar jurk. Dat ging zo een poosje door en toen zij nog enige malen van houding veranderd was, o.

Zij hoog zich over een paar armzalige bloempjes, bekeek die aandachtig en vervolgens probeerde zij in gebogen houding de achterkant van haar jurk te zien, en toen dat niet gelukte, voelde zij met haar hand, hoe hoog haar jurk daar nu zat ten opzichte van haar rose broekje. Dat was inderdaad nogal hoog.

Even later snelde zij weg en pakte een klein zwart poesje,. Toen het diertje wilde ontsnappen, pakte zij de zoom van haar jurk aan weerskanten van haar benen vast, stond op en tilde haar jurk heel hoog op, tot boven haar middel bijna, wat een allerliefst gezicht was.

Juist toen ik met leedwezen constateerde, dat er aan alle goede dingen een eind kwam, tikte Nol mij op de schouder en vroeg: Daphnes vader was op dat ogenblik afwezig. Hij boog zich naar buiten en klapte in zijn handen. Het poesje was intussen definitief ontsnapt. Daphne beschutte haar ogen met haar hand en keek onder het uitroepen van: Nol glimlachte en zei: Wij hoorden haar spoedig de trap opbolderen.

Vlak voor haar vader sprong zij de kamer binnen en vloog Nol spontaan om zijn hals. Er volgde eenzelfde tafereel als twee jaar tevoren, maar nu duurde het korter, omdat Arjen zijn ergernis niet kon bedwingen en zei: Toen ontstond het eerste gesprekje tussen Daphne en mij. Zij monsterde mij nog eens snel van top tot teen en zei: Daphne pakte me bij mijn arm en loodste mij snel de kamer uit.

Ze leidde mij een smal kamertje binnen, waarin een niet opgemaakt bed, een stoel en een tafeltje stonden; op dat tafeltje bij het raam stond de kooi met drie parkieten. Zij zag er wat armoediger uit, maar had nog dat bloeiende, gezonde, dat haar zo opvallend maakte. Nu zijn ze rustig, maar soms jô We stonden ieder aan een kant van de kooi te kijken. Ik vertelde haar, dat ze eens bij mij thuis moest komen kijken, waar we een ezeltje hadden en een pony, rijpaarden, duiven, honden, katten, konijnen en kippen.

Zij luisterde met grote ogen, zonder langer dan twee seconden stil te staan, voortdurend van haar ene en dan weer op haar andere voet wiegelend, haar wat langer en slordig geworden haar bevingerend, langs haar bont gebloemde jurkje strijkend en toen viel ineens haar blik op het slordige bed.

Zij grinnikte verlegen en zei: De kuil in het bed en de driftig schuin opzij geworpen deken met het verkreukelde laken, riepen een beeld in mij op van een snel uit bed gesprongen Daphne in de lichtblauwe pyama, waarvan het jasje en de broek bij de stoel op de vloer lag. Er was geen wastafel in het kamertje. Huppelde ze dan bloot naar de keuken, of hield ze alles aan net als de hoerenkinderen bij hun pomp, die ik wel eens bezig gezien had, als ik 's morgens vroeg een ritje maakte?

Was ik maar een van die parkietjes Wat zou ik dat ontzettend graag zien! Met een paar snelle handgrepen stopte ze de pyama onder het kussen, trok de deken omhoog en wierp een groene sprei over het bed. Zij haalde adem om wat te zeggen, slikte en zei dan: We stonden juist rug aan rug, toen Daphnes vader de deur opende en zei: Op een kastje, dat van een pakkist leek gemaakt, stond een zeer grote, zachte teddy-beer.

Uit een houten wiegje pakte zij een pop met een wilde pruik zwart haar en slaapogen met lange zwarte wimpers, gekleed in een jurkje van felrode zijde. Daphne wiegde de pop in haar armen. Het kamertje was met kleurige platen, die sprookjestaferelen en spelende kinderen uitbeeldden, versierd. Door het hoog opgeschoven raam klonk plotseling het aanzwellend, spookachtige geluid van een troep marcherende soldaten. Daphne schoof langs het tafeltje en boog zich ver naar buiten om te kijken.

Een van de soldaten gaf een luide schreeuw en daarop begon de hele troep enkele tellen later hard en gescandeerd te zingen. Er zat een vuile veeg op Daphnes bovenbeen. Zij had opvallend flinke, welgevormde benen voor een kind van acht jaar.

Als ik gedurfd had, zou ik haar vastgepakt hebben met het excuus, dat zij bijna uit het raam viel. Zij kwam plotseling overeind en imiteerde het gezicht van een zingende soldaat zo komisch, dat ik het uitschaterde. Haar donkere ogen straalden, omdat ik haar aardig vond. We bogen ons ieder aan een kant van het tafeltje waarop de kooi stond uit het raam en keken de stampende en zingende soldaten na.

Mijn vader zegt, dat ze met Kerstmis verslagen zijn. Ga jij op de H. Ik ben 't jongste meisje van onze klas; dat komt omdat ik in Februari jarig ben. Dat ging wel gauw. Ik heb toen een klas overgeslagen. Vind jij het fijn op school? We keken een poosje zwijgend naar beneden in de straat, waar vrachtauto's en bakfietsen in- en uitgeladen werden en kinderen speelden. Een meisje keek naar boven en riep: Toen kwam Arjen ons halen. Hij nam twee schilderijen mee.

We hadden toen de auto nog. Daphne liep met ons mee de trappen af en wuifde ons hartelijk na. Maar voor dat kleine meisje is het 't ergste, vind ik.

Arjen verbeeldt zich nu, dat hij Odette haat en dat kindje lijkt zo frappant op haar en zo weinig op hem Konden we haar maar meenemen hè? Bij ons is plaats genoeg. Maar ja, als het zó eenvoudig was Hij wil Daphne persé bij zich houden. Hij zuchtte enige malen diep en vervolgde: Kunst, geld, godsdienst, politiek Hij drukte nijdig op zijn claxon omdat er twee Duitse soldaten zonder op of om te zien overstaken.

Hoe is 't mogelijk met zulk vee de Franse legers onder de voet te lopen en de Engelsen de zee in te jagen, hoe is het bij God mogelijk! Wat een smerige rotwereld. We hadden nóóit van dat eiland moeten afkomen, Bob, nooit En om zó machteloos te zijn!

Maar je had toch weg kunnen komen, toen je Jacobson naar Londen stuurde? Nol maakte een gebaar van ongeduld en zei: De overgang van het paradijselijke eiland in de Middellandse Zee naar de krankzinnige wereld van eind Augustus was zeer schril geweest. Het vaste land wachtte ons toen met extra edities van de kranten, bulletins, mobilisatie, wegen en stations versperd door militaire colonnes, vervoersmoeilijkheden, angst, paniek, het rustige vaderlandje opgeschrikt door algemene mobilisatie, en daarna de ontnuchterende schijnrust van het najaar en de winter.

Oom Henri verliet in uniform het huis en Nol, in zijn bewegingsvrijheid beperkt door de oorlog, was veel meer thuis dan vroeger. De hoofden van verzamelaars stonden in die tijd trouwens niet erg naar het aankopen van kunstschatten.

Onze soldaten begonnen zich meer en meer te vervelen. Ik trad voor het eerst in het openbaar op in een liefdadigheidsvoorstelling en op enige ontspanningsavonden, in de provinciestad waar ik de H. Het enige wat hij kon doen, was Jacobson en nog enige lotgenoten weghelpen naar Engeland.

Maar nu, enige maanden later, in de vacantietijd, had het leven opnieuw zijn normale of bijna normale loop hernomen. Men wende zelfs aan zijn eigen ergernis over de Duitse bezetting. Voor mij was het een belangrijke verandering, dat mijn vader nu zoveel meer thuis was dan vroeger, en dat daardoor het vriendschappelijke contact, dat in de vorige vacantie was ontstaan, steeds sterker werd.

In deze tijd begon zich de controverse in de opvattingen van mijn ouders betreffende een belangrijk onderdeel van mijn karaktervorming af te tekenen. Mijn moeder had alle respect voor de kameraadschappelijke verhouding vader-zoon, ook al was zij persoonlijk niet tot een dergelijk experiment in staat. In de komende jaren ontstonden er twee onverzoenlijke standpunten. Voor de verdediging van beide standpunten bestonden vele treffende citaten en voorbeelden uit de literatuur zowel als uit de ons omringende mensenwereld, die door beide partijen pro en contra werden aangevoerd, als er een discussie of een belehrend gesprek was.

Tot dramatische botsingen of onverkwikkelijke dilemma's, met mijn ziel als inzet, kwam het niet. Het was meer vooral dan wat mijn moeder betrof een stille, geduldige strijd tussen Oost en West, een strijd om invloed en prestige, waarbij de propaganda het belangrijkste wapen was. Hij liet een zolderkamer speciaal als werkhol voor mij inrichten, waar ik ongestoord kon experimenteren. Ik kreeg in het begin van de grote vacantie enige lessen van een fotograaf, om mij op weg te helpen. De nieuwe liefhebberij gaf mij veel plezier.

Met veel genoegen maakte ik een reportage van het dagelijks leven in en om De Beukenhorst, van mijn ouders te paard, van een nest jonge duiven, van de kreken, de vissersbootjes en de rivier, van schilderijen en heelden, en met bijzonder veel genoegen van meisjes die over de zware bakstenen kademuur hingen, en telelens opnamen van Liesbeth en anderen hij het strandje voor en na het zwemmen.

Die bijzondere foto's hadden Nol en mij op het denkbeeld gebracht, dat ik best geheime albums kon aanleggen, die ik zelfs hem niet behoefde te tonen als ik niet wilde. Ik moest aan die woorden denken, toen we van Arjen naar Odette reden en Nol over Daphne praatte. Zou ik hem zeggen dat ik het zo betreurde mijn camera thuisgelaten te hebben, omdat ik Daphne zo'n bijzonder meisje vond, zoals er zelfs op het sprookjeseiland niet te zien waren geweest?

Inplaats daarvan zei ik: De enige kans die we hebben is, dat die tocht naar Engeland, waar ze nu allerlei klungelige scheepjes voor klaarmaken, een groot fiasco wordt. De Engelsen hebben nu eenmaal veel meer verstand van de zee dan de Duitsers. Laten we dus hopen, dat ze zó warm onthaald worden, dat er van al die scheepjes niets overblijft. Maar laten we ons niet druk maken; ons heeft niemand nodig. Zou je ze niet! De straat waarin Odette nu woonde was aanzienlijk minder triest en het huis, hoewel niet groot, was stijlvol ingericht.

Odette had tranen in haar ogen, toen ze ons begroette. Zij was alleen thuis en begon bijna onmiddellijk haar hart te luchten. Haar nieuwe man in spe was advocaat. Hij had veel belangstelling voor het toneel en had Odette geholpen, weer op de planken te komen.

Mijn vader kende Louis, de advocaat, uit zijn studententijd; hij was een oude bewonderaar van Odette uit de vriendenkring van weleer. Odette wilde van Arjen scheiden en in alle eer en deugd met Louis trouwen, om Daphne bij zich te kunnen nemen, maar Arjen wilde geen medewerking verlenen.

Toen Nol de deuren weer had geopend en de wals van Chopin, die ik speelde uit was, riep hij: We hebben het dan zo opgelost: Verstandige knaap, heel, heel verstandige knaap. Waar was ik, toen ik twaalf was, arm sukkeltje, en waar was jij toen? Toen was ik negen God, wat een heerlijke tijd. Waarom moet een kind eigenlijk groot worden? Hij haalde een zakdoek te voorschijn en zei met een vertederd stemmetje: Ben je nu weer fijn negen jaar, egocentrisch meisje?

Zij pakte een tasje, bekeek zich in een spiegeltje en begon haar neus te poederen. Ze glimlachte naar mij. Wil je die laatste wals nog eens voor me spelen, Bob? Nol remde heftig en boog zich schaterend over het stuur. De grap van het jaar! Die moet ik Odette vertellen! Was je dáár zo over aan het piekeren? Ik wil niet zeggen, dat ik geen dochter van Odette gewild zou hebben, maar Maar het idee, dat er maar één vrouw op de wereld zou zijn waar je van kunt houden is een bakerpraatje.

De moeilijkheid is juist, dat er méér vrouwen op de wereld zijn, waar een man van kan houden! En wat dan nog? Heb ik je niet al duizend keer verteld, dat ik nog altijd veel van de romantische knaap in me heb, die ik eens was? Illusies geeft een mens zelden helemaal prijs. Enne, als jullie nu eens wél getrouwd waren, waar zouden Daphne en ik dan zijn op dit ogenblik?

Weet je wat je moest doen? Vraag dat nu eens aan je moeder. Het zou allemaal anders zijn gelopen, als mijn vader niet in de lente van het jaar van het strijdtoneel was verdwenen, om weer te voorschijn te komen toen het in zekere zin te laat was Stilzitten lag niet in Nols aard. Toen hij in de zomer van eenmaal was begonnen, zijn binnenlandse relaties op te zoeken en op bescheiden schaal verder te werken, was het met het thuis zitten gedaan. Zó uithuizig als voor de oorlog werd hij niet meer, maar hij had het weer druk met allerhande werkzaamheden en bedrijvigheid, nodigde kunstenaars en liefhebbers uit om op De Beukenhorst te komen logeren, en maakte een begin met geheimzinnige activiteiten, waarvan hij mij vertelde, dat ik in het algemeen belang altijd maar net moest doen of ik er niets van opmerkte of begreep.

Toen bleek het plotseling nodig, dat hij verdween. Langs geheimzinnige kanalen bereikte hem de waarschuwing, enige tijd onvindbaar te blijven. Inderdaad kwamen er niet lang na zijn verdwijning twee mannen op bezoek, waarvan de een met een sterk Duits accent sprak, die aan iedereen in en om het huis vroegen, waar Nol was, waarop iedereen antwoordde, dat Nol een zeer vreemde, springerige man was, die al sinds jaar en dag de gewoonte had, zo maar maandenlang te verdwijnen.

Bijna alle gasten, die ooit De Beukenhorst bezochten, waren vrienden, kennissen en relaties van mijn vader, maar een enkele maal was er wel eens iemand, die door mijn moeder was uitgenodigd. Dit laatste was het geval met mijn achterneef Gerard, ook wel de Fat genaamd.

Achterneef Gerard was een ver familielid van mijn moeder, een jonge doctor in de klassieke letteren, leraar aan een gymnasium in een stad niet ver bij ons vandaan, waar hij zich in het najaar van gevestigd had. Ik herinner mij, dat Nol daarover eens zei: Gerard sprak zeer geaffecteerd en met dat uiterst vermoeide kraakje, waar Nol zo'n gloeiende hekel aan had. Dat Gerards mooie doch koele ogen een bijzonder warme gloed kregen, als ze op mij gevestigd waren, scheen Nol wel te hebben opgemerkt, doch niet ernstig te hebben opgevat.

De koele, vormelijke, uiterst beheerst-charmante Gerard had een buitengewoon grote belangstelling voor jonge talenten zoals hij zei en kon daar met mijn moeder op uiterst spirituele wijze over spreken. Dat hij meer dan gewone belangstelling voor mij had was niets bijzonders.

Bijna alle gasten demonstreerden die, hetzij dat zij geïmponeerd werden door mijn vroegrijpe virtuositeit, hetzij dat zij opgetogenheid veinsden om mijn ouders te behagen en mijn vader tot nog eens inschenken te bewegen. Het viel evenmin op, dat Gerard graag zijn welverzorgde hand op mijn schouder liet rusten of wel eens mijn wang of arm streelde.

Zulke liefkozingen waren uiterst bescheiden, vergeleken bij de wilde uitbarstingen van sommige vertederde musici, die me in hun armen namen en aan hun borst klemden, of ik drie inplaats van dertien jaar was. Nol had mij meer dan eens iets verteld over de juist in kringen van kunstenaars, kunsthandelaren en critici voorkomende soort mannen, die niet van vrouwen hielden maar alleen van mannen, vooral als die ook niet van vrouwen hielden.

Maar in onze ogen was achterneef Gerard alleen maar overdreven verfijnd en spiritueel. Die kun je doorgaans hieraan herkennen, dat ze hun hand op je knie leggen en het dan hogerop zoeken. Als je dat overkomt, deel je meteen een paar goed gemikte stompen uit, dat helpt voortreffelijk Het verbaasde mij nauwelijks, toen mijn moeder mij, na een rustige viering van mijn veertiende verjaardag mededeelde, dat het neef Gerard en haar genoegen zou doen, als ik in de grote vacantie met hem mee zou gaan.

Het plan was, eerst een week bij Gerards moeder te logeren en daarna een tocht van twee weken door oude stadjes en langs leerzame historische bezienswaardigheden te maken, waarbij we in hotels zouden overnachten.

Mijn moeder was heel dankbaar, dat neef Gerard zijn kostbare tijd aan mij wilde geven, mij deze afleiding wilde bezorgen ik miste Nol hevig en mij en passant wat meer begrip voor de waarde van het verleden en de klassieken wilde bijbrengen. Zij zou mij graag naar een gymnasium hebben gezonden, maar Nol vond de H.

Gerard had werkelijk enige kijk op muziek; hij demonstreerde een eerbiedige belangstelling voor mijn pianospelen en componeren. Hoewel ik hem niet sympathiek vond, kon ik niet tegen hem op, omdat hij heel interessant en geanimeerd kon vertellen en uitleggen, en bovendien een zekere geestigheid bezat. Tot op het ogenblik dat we in de trein stapten, speelde Gerard zijn zelfbeheerste rol op een wijze, die achteraf beschouwd bewonderenswaardig, althans verbazingwekkend is.

Het verwonderde mij, uit de mond van een bijna dertigjarige, verfijnde, hooggestemde man een opmerking te vernemen over zo iets alledaags als mijn plus-fours. We waren zojuist een lege tweede klasse coupé van de ouderwetse boemeltrein binnengestapt en hadden onze bagage in het net gelegd.

Ik keek naar de jongen, die hij aanwees. Hij was iets kleiner dan ik, droeg een kort broekje en liep tussen zijn grotere zusje en moeder heen en weer over het perron, met andere reizigers wachtend op een trein, die te laat was. Naast zijn zwaargebouwde, plompe zuster leek de jongen fijner gebouwd en mooier dan hij wellicht was, als je hem alleen zag. Nu was hij met één sprong naast me, sloeg zijn arm om mijn middel en drukte mij heftig tegen zich aan. Toen hij bemerkte, dat ik van zijn onverwachte reactie schrok, beheerste hij zich, trok zijn arm terug en zei rustig-opgewekt: Ik vind het een heerlijke bezigheid, tussen zulke mensenmassa's naar het mooie te zoeken Nu moet je eens goed opletten, hoe fijntjes en lief zo'n jongen is, sierlijk als een lelie Er stonden twee bonkige arbeiders met modderlaarzen aan.

Misschien zijn ze maar tien jaar ouder dan ons vriendje en zie eens wat een monsterlijke kerels, met hun dikke rode nekken en lichamen als ossen. Wie weet, is ons knaapje over vijf jaar ook al zo.

Is het geen zonde, dat zo iets liefs maar nutteloos rondloopt? Ik bedoel, bijna niemand let op dat bijzondere fijne, bloeiende van die jongen, en pas als hij grof en zwaar en harig is, maakt hij misschien kennis met wat men de liefde noemt en gaat er wellicht iemand op zijn charmes letten Zou jij zo'n jongen niet eens een beetje willen aaien en zo, als je met hem alleen was, of door hem geliefkoosd willen worden, Bobje?

Tussen twee haakjes, jij bent veel mooier dan die jongen En kijk eens wat daarginds aankomt, twee jonge goden gelijk Hij drukte mijn arm. Ik keek uit het raampje. Onze trein zette zich in beweging. Gerard had altijd een parfumgeurtje, maar nu was die geur zwaar als bij een mondaine vrouw die zich naar een bal begeeft. Met zijn mond dicht bij mijn oor, om gemakkelijker boven het dreunen en ratelen van de trein uit te komen, gaf hij een uitvoerig exposé over de knapenliefde bij de Grieken, over Plato, het beroemde Symposion, over alle grote geesten van de oude tijden tot heden, een waarlijk indrukwekkende lijst van kunstenaars en geleerden, die niet van de gewone, naar hun smaak platvloerse voortplantingsliefde hielden, maar wier hart uitging naar verfijnde genietingen met leden van het eigen geslacht, niet zelden naar knapen zoals ik er een was.

Dit betoog duurde ongeveer een uur en werd tweemaal onderbroken toen de trein stopte. Zijn verhaal was boeiend en overtuigend. Toen de trein voor de derde maal stopte, stapte er een moeder met twee jongetjes in onze coupé, die tegenover ons plaatsnamen.

Het leek wel, of Gerard een verbond met de duivel had gesloten, waardoor alles precies zo liep en zich voordeed als voor zijn doel nodig was. Natuurlijk waren het elegante, opvallend mooie jongetjes, wel wat klein, maar heel aangenaam om te zien. De jongste was ongeveer vier of vijf jaar en droeg zo'n gebreid kort broekje, waarin wat hij regelmatig met zichtbaar genoegen liefkoosde, zich geprononceerd aftekende, ook zonder die liefkozingen.

De moeder, een slanke, lieftallige vrouw, gaf het ventje weldra een boek met plaatjes. Het andere jongetje kreeg ook een boek. Hij was ongeveer tien of elf jaar oud, een sprookjesachtig mooi kereltje, met glanzend donker, bijna zwart haar, een fijn, scherp gesneden gezichtje, grote, dromerige, glanzend donkerbruine ogen met lange wimpers, en matbruine, fraai gevormde armen en benen.

Hij droeg een lichtblauw kieltje met korte mouwen, het allerkortste donkerblauw fluwelen broekje dat ik ooit aan zo'n jongen had gezien, lichtblauwe sokjes en sandalen van bijzondere makelij.

Gerard wisselde vertederde, vaderlijke blikken met de moeder over haar rustige, doch zeker niet dociele zoontjes, wimpelde luchtig excuses van de moeder af, als een beweeglijke kinderschoen zijn smetteloze pantalon raakte en observeerde de jongetjes met zijn vriendelijke leraarsblik, die zijn werkelijke gevoelens verborg.

Zelfs zijn eenzijdig ingestelde brein kon geloof ik nauwelijks aannemen, dat het oudste prinsje met opzet aldoor met zijn lange, wonderlijk mooie benen in de weer was, zijn knieën spreidde en bijna toonde wat verborgen moest blijven in het ultrakorte witte onderbroekje, zijn knieën weer sloot, zijn hakken op de rand van de zitting onder zich neerzette, dan weer zijn benen over elkaar sloeg en zo voort.

Een feit is dat, vooral als de moeder haar gezicht achter een tijdschrift verborgen hield, Gerard en ik geen oog van dat jongetje af hadden. Zo nu en dan stootte Gerard mij aan of gaf mij een blik van verstandhouding, waardoor de indruk werd versterkt, dat de lieftallige jongen daar door hem was be-.

Wij konden niet ononderbroken kijken en deden dit bovendien zo onopvallend mogelijk vanuit onze ooghoeken, maar toen ik op een zeker ogenblik geïnteresseerd naar een jolig rennend paard in de weide keek, voelde ik een duwtje van Gerards elleboog in mijn zij.

Terwijl het oudste jongetje met een ernstige frons op zijn gezicht in zijn boek las, streelden de vingers van zijn rechterhand bovenaan het linker pijpje van het kledingstuk, dat hier maar nauwelijks de functie vervulde waar het oorspronkelijk voor was uitgevonden.

Wat zijn vingers daar streelden en kneedden was zo dicht bij de band, dat zijn vingers maar voor de helft verdwenen. De moeder bood de kinderen een snoepje aan. Had zij opgemerkt, wat de jongen deed? Ik kreeg plotseling een misselijk gevoel, dat mij heftig benauwde. De moeder had het gezicht en de beschaafde, lieve stem van een reine engel; zij leek mij oneindig ver verheven boven ons kinderachtig gegluur en gepieker. Ik stond op en keek naar buiten. Hoewel de zon achter nevelige wolken schuil ging, was de lucht scherp.

Ik keek over mijn schouder door het raam aan de andere kant van de coupé en daarna weer naar de jongetjes. Het kleine jochie was tegen de moeder aan gaan staan, zoende haar hartelijk, legde zijn hoofd tegen haar borst en werd door haar geliefkoosd. Haar smalle hand ging strelend langs zijn malse beentjes, klopte zachtjes op zijn bibs en toen hij zich omdraaide en met zijn ruggetje tegen haar geleund naar buiten keek, ging haar liefkozende hand tot rakelings bij het plaatsje, waar zijn eigen handje niet mocht strelen.

Ik stond met mijn rug tegen het portier en hield mijn gezicht alsof ik door de raampjes tegenover mij keek. Het leek alsof Gerard mij had opgesloten met dit gezelschap, of er niets anders meer bestond en de buitenwereld een onbelangrijk, vaag décor was. Als deze moeder alleen maar een reine engel was, mijlen ver boven alle sex verheven, zou ze geen zoontjes hebben, bedacht ik.

Er kwam mij een zin in gedachten, die ik had vernomen uit de mond van een schoolkameraad, die mij op straat de mooie, trotse verloofde van zijn oudste broer had aangewezen en mij vertelde, dat hij het jonge paar kort te voren had afgeloerd, toen het. Het zweet brak mij uit. Ondenkbaar en toch moest het waar zijn. O Nol, kon ik nu dadelijk maar met je praten!

En waarom kleedde die beschaafde, lieve mevrouw haar jongetjes zo, dat ze heel wat leken? De trein minderde schokkend vaart. Het oudste jongetje stond op en keek naar buiten. Gerard glimlachte meer dan vertederd naar hem.

De vochtige, warme lippen van de jongen beantwoordden zijn glimlach. Gerard hielp de moeder galant met haar koffer, toen het gezelschap uitstapte. De conducteur controleerde voor de tweede maal onze kaartjes en sloeg het portier dicht. Ik had het raampje laten zakken en keek naar buiten leunend de moeder met haar poezelige jongetjes na. Gerard ging achter mij staan en leunde zwaar tegen mij aan. Zou jij daar ook niet eventjes met je hand zó bij willen doen?

Elf jaar was hij, toen we dit voor het eerst deden. Dat joch was er gek op en mocht mij graag. We hebben meer dan vier jaar pret gehad samen. Gerard begon te hijgen en zwaarder tegen mij te drukken. Kijk, daar ginds loopt ons vriendje, daar, achter dat hek op de weg.

Denk je nu in, dat jij hetzelfde bij hem doet Ik staarde duizelig en verdwaasd in de aangegeven richting. Walging en opwinding woelden in mij rond. Mijn benen en armen leken slap als was. Dit bevalt je wel hè?

Ik hapte naar adem. Zonder zijn liefkozingen te staken, trok hij met zijn vrije hand het gordijntje voor het open raampje naar beneden en deed ook de gordijntjes voor de zijraampjes dicht.

Plotseling liet hij mij los. Het was of er een dichte mist in mijn hoofd zat. Ik keek om en zag, dat hij het gordijntje voor het middelste raam aan de andere kant ook naar heneden trok. Hij pakte resoluut mijn koffer uit het bagagenet, legde die op de bank en liet het deksel openspringen. Hij woelde ongeduldig tussen mijn kleren en haalde een korte blauwe sportbroek te voorschijn. Mijn handen trilden zo, dat ik de gespen van de pijpen niet los kon krijgen. Gerard hielp mij graag. Hij wierp mijn plus fours op de openstaande koffer en toen ik mijn hand naar de sportbroek uitstrekte, liet hij het laatste restje zelfbeheersing varen, greep mij vast zoals nog niemand dat ooit had gedaan, buitelde met mij op de lege bank en smoorde mijn kreten met zijn mond.

Ruimte en tijd bestonden niet meer. Ik ontwaakte uit een wilde, gloeiende bedwelming toen hij me schudde alsof ik in een diepe slaap was gevallen, terwijl de trein schokkend vaart begon te minderen.

We stonden stil bij het voorlaatste stationnetje. Er stapte niemand bij ons in. Ik voelde, dat mijn rug nat was van het zweet. Gerard vouwde met opgewekte gebaren mijn plus fours op, ordende de inhoud van mijn koffer en zei: Ik zat wezenloos in een hoekje, vechtend tegen opkomende tranen, en hield mijn ogen van hem afgewend.

Toen de trein weer begon te rijden ging Gerard naast mij zitten, nam mijn kin. Zijn ogen keken zo, dat ik bloosde als een meisje. Nooit gedacht, dat het zo plezierig kon zijn hè!

Heb ik je pijn gedaan, ja? Je bent ook zo'n ongelooflijk heerlijk joch Hij liet mijn kin los. De gordijntjes gingen weer dicht. De coupé was in een geheimzinnig groenig licht gehuld. Hij trok mij in zijn armen en keek me zo stralend in mijn ogen dat ik dacht: Ik voelde plotseling een sterke drang om te schaterlachen, maar tegelijkertijd begonnen zijn handen mij weer zeer geraffineerd te strelen en zijn lippen grepen de mijne.

Hij wekte een roes in mij, die mijn lichaam geheel doortintelde en mijn denken verdoofde. In mijn herinnering ontwaakte ik pas drie weken later uit deze roes en alles wat ik in deze drie weken leerde, genoot, verafschuwde, machteloos onderging en waarnam, is in mijn verbeelding omfloerst alsof ik al die tijd bedwelmd was.

Een van de dingen, die de meeste indruk op mij maakte was, dat vrijwel alle omstandigheden in het voordeel van Gerard schenen te werken. Reeds op weg van het station naar het landhuisje van zijn moeder, een wandeling van een kwartier, leek het vanzelfsprekend, dat tal van mooie knapen ons pad kruisten. Twee ervan herinner ik mij nog goed. Ze droegen tennisrackets in hun hand, waren in witte tenniskleren en natuurlijk waren hun broekjes zeer kort en hun benen fraai gevormd. Gerard betoogde, vatte samen en wees luchtig naar de decoratieve voorbeelden om ons heen en in het bijzonder naar de twee jongens in het wit, iets ouder dan ik, die bijna de gehele route voor ons liepen.

Hij bracht mij de overtuiging hij, dat al zulke lieftallige knapen eenvoudig hunkerden naar de opwindende liefkozingen en spelen, waar ik in de trein kennis mee had gemaakt, maar dat zij zich uit valse schaamte of van gelijkheid aldoor bedwongen; dat ik hem heel dankbaar moest zijn, dat hij de gelegenheid schiep om na al die zelfbeheersing nu eens eindelijk uitvoerig en feestelijk uit de band te springen, en stapte luchtig over ons leeftijdsverschil heen. Er waren ook jongelui, die eenvoudig niet wisten wat ze misten, en daar.

Toen ik later eens zwakjes tegenwierp, of dit plezier nu werkelijk zo belangrijk in het leven was, volgde er een dringend betoog, waarvan de kern was, dat waar wij ons voornaamste plezier mee bedreven niet voor niets precies het middelpunt van het menselijk lichaam vormt Alles werkte in het voordeel van zijn zorgvuldig voorbereide plannen.

Gerards moeder, die reeds weduwe was toen hij nog een kind was, aanbad haar zoon en vond alles bij voorbaat goed en normaal, wat haar enige zoon deed. Zij was hulpbehoevend, sinds enige jaren, en werd verzorgd door een toegewijde huishoudster. Beide dames waren enigszins hardhorend en kwamen nooit op de bovenverdieping van het huis. Dat Gerard en ik op één kamer sliepen, terwijl er een logeerkamer voor mij beschikbaar was, scheen niemand vreemd te vinden; evenmin, dat we aldoor was- en baadpartijen hadden, tot diep in de nacht in de weer waren en 's morgens uren werk hadden eer we beneden kwamen om te ontbijten.

Gerard was vrijwel onvermoeibaar en hij wilde niets liever dan dat ik ook minstens zestien uur per dag enthousiast was. Hij stopte mij vol eieren, room, pap, vlees en melk, waar hij die maar kon bemachtigen. Als hij geen sex met mij bedreef, en dat deed hij veel, praatte hij er over. Hij gaf mij zo boeiend mogelijke, met veel pikante détails doorspekte reportages van zijn liefdesavonturen met enthousiaste, blijkbaar onvermoeibare knapen. Vroeger placht hij met zo'n vriendje langdurig op stille plekken te kamperen.

Hij schilderde mij in vrolijke kleuren, hoe vrij je dan was in een wereld, die geen enkele belangstelling had voor een kamperende jongeman en zijn vriend, hoe je op elk gewenst uur in je tent kon kruipen en doen waar je zin in had, bij het geruis van de zomerwind in de dennen, het murmelen van beekjes of het tikken van regendruppels op het tentdoek inslapen in elkaars armen, helemaal vrij om aan en uit te doen wat je wilde, en met.

Het primitieve kamperen was, toen Gerard een kapitaaltje van een oom had geërfd, gevolgd door trektochten in een kampeerauto en verblijven in hotels.

Dat laatste was minder vrij, maar bood weer prettige mogelijkheden, was geriefelijker, verfijnder en hygiënischer, vond hij. Ik ondervond dit aan den lijve; nooit van mijn leven ben ik zo vaak in bad geweest als gedurende deze drie weken met Gerard. Hij was erg veeleisend en ik had niets in te brengen. Hoewel tenger gebouwd bezat hij een paar ongelooflijk sterke handen, waarmee hij mij kon maken en breken. Het bezichtigen van mooie plekjes en leerzame bezienswaardigheden was alleen maar ter afwisseling en tevens als de vlag die de lading moest dekken.

De regenachtige dagen in Gerards geboorteplaats waren nog maar inleidend kinderspel, vergeleken bij de wilde feesten in onze kamers van de vier hotels, waar wij respectievelijk onze intrek namen. Het kon nauwelijks meer verbazing wekken, dat we in drie van de vier plaatsen waar we vertoefden, door een strafmaatregel van de Duitsers 's avonds om 8 uur binnen moesten zijn.

Daardoor was het vanzelfsprekend, dat we 's avonds niet meer uitgingen en Gerard mij na het diner naar onze kamer begeleidde, en na mij duidelijke instructies te hebben gegeven nog een poosje beneden ging zitten.

Dit ceremonieel diende om hem gelegenheid te geven, enigszins bij verrassing met de sleutel binnen te komen, terwijl ik volgens de instructies fris en gebaad in schoon ondergoed, of met niets aan, of met datgene aan wat Gerard had verzonnen, op bed lag te wachten in de een of andere verlangde houding; dat was dan omdat hij er van hield naar iets te kijken, dat ongewoon opwindend voor hem was, terwijl hij zich uitkleedde en zich genietend-talmend gereed maakte voor de uitbarsting, die na het korte treffen vóór het ontbijt de gehele dag door kleine vrijages en gesprekken was voorbereid.

Na de eerste wilde uitbarsting en een kort hazenslaapje volgden nieuwe spelletjes en spelen, afgewisseld met baadpartijen, verkleedspelletjes en dutjes. Toen ik bijna drie weken van huis was, schreven we mijn moeder een reeds door vorige onder zijn toezicht vervaardigde briefjes voorbereid verzoek, nog een week te mogen wegblijven, omdat het ons zo buitengewoon goed beviel.

Mijn moeder schreef omgaand een instemmende brief terug. Of ik het werkelijk prettig vond, dat het vreemde avontuur een week gerekt werd, met het vooruitzicht, dat Gerard daarna een poos op De Beukenborst zou logeren, geloof ik niet. Maar ik had nauwelijks een eigen gevoel of wil, zolang de roes duurde. Het briefje van mijn moeder had een zeer wilde, langdurige uitbarsting van hartstocht ten gevolge.

Ik herinner me, dat er die avond laat luchtalarm was, met huilende sirenes en gedaver van luchtdoelgeschut, wat Gerard terstond aangreep om het zó bont te maken, dat ik huilde en schreeuwde. Daarna troostte hij me alsof ik een kleuter was, welke vertroostingen geleidelijk overgingen in liefkozingen; hij bezat een bijzonder effectvolle techniek om, als je volkomen uitgeput en beu van alles was, toch een hartstocht en opwinding in je te wekken, zo hevig alsof je je al een maand op deze nieuwe uitbarsting verheugd had.

De nieuwe dag was al enkele uren oud, toen Gerard mij eindelijk definitief met rust liet. Hoe wij er in slaagden wakker te worden weet ik niet, maar omstreeks half acht in de morgen belde de huistelefoon langdurig en doordringend.

Gerard koos dure hotels uit, naar ik aanneem omdat de kamers daar minder gehorig waren en de warmwatervoorziening royaler. Ik hoorde hem mompelen en mopperen en toen zei hij twee woorden, die mij uit mijn bed deden springen: De gordijnen waren gesloten en hij had een klein bedlampje aangedraaid.

Ik stond naakt, bevend en klappertandend naast Gerards bed. Ja, die staat hier al gereed. Zijn stem klonk steeds koeler en afgemetener.

Hij reikte mij de hoorn over. De telefoon was zo duidelijk, alsof mijn vader naast mij stond. Hij keek met harde, liefdeloze en toch begerige ogen naar mij.

Ik maakte een gebaar naar hem, dat hij een badjas om mij heen moest slaan, omdat ik het koud had, maar hij schudde met een hatelijk glimlachje zijn hoofd. Hij zag er afstotend uit, met dikke wallen onder zijn ogen. Toen ik hem mijn rug toekeerde bedacht ik, dat hij die minstens zo bezienswaardig vond als mijn voorkant. Er sprongen tranen in mijn ogen. Mocht hij erg in zijn wiek zijn geschoten en je tegenwerken, dan pak je diezelfde hoorn, die je nu in je hand houdt van de haak en vraag naar meneer Muntendam, Mun-ten-dam, dat is de eigenaar van het hotel Hij is thuis, want ik heb hem al gesproken.

Het is die grote, donkere man met die zwarte snor, je zult hem wel eens gezien hebben. Je kunt ook even naar beneden lopen natuurlijk. Hij zal je graag even op de trein helpen als dat nodig is. Zodra de hoorn op de haak lag, sloeg Gerard zijn arm om mijn benen, duwde zijn gezicht in mijn schoot en begon mij te zoenen.

Ik probeerde mij los te rukken en zei: Dat was een domme opmerking, want het was een van zijn liefste spelletjes, dat ik mij verweerde en hij me overweldigde.

Als ik dan ook nog kreunde en huilde, kon hij zijn plezier niet op. Zijn handen waren zó sterk, dat hij mijn beide polsen in één hand kon houden, zonder dat ik ze los kon krijgen. Ik kreunde en jammerde, en dat was helaas geen spel. Toen zijn opwinding het hoogtepunt bereikte, rinkelde de telefoon opnieuw. Gerard liet het ding eerst enige tijd bellen, voor hij zijn arm uitstak en de hoorn pakte. Zijn lichaam drukte zwaar op het mijne. Het kussen was nat van mijn tranen.

Dat, dat kunnen we zelf wel De jongeheer wordt uiterlijk half negen aan het ontbijt verwacht. Zijn ze gek geworden?

Of ik zo vriendelijk wil zijn te zorgen Ik voelde een woeste vreugde en had zin om luidkeels te lachen. Gerard maakte een beweging, of bij mij te lijf wilde.

Plotseling werd hij uiterst nerveus en angstig. Hij kreunde en rende naar de badkamer. De ban was gebroken. Ik had maar één, alles overheersende gedachte: Uit de badkamer riep Gerard klagend: Ik schoof de gordijnen wijd open. De warme zomerzon deed mij de ogen sluiten. Heb ik je pijn gedaan? Zal ik vragen of ze een dokter sturen? Gerard kwam mompelend en kreunend binnen.

Ik haastte mij naar de douche en keerde neuriënd in de kamer terug. Gerard had zijn pyama en kamerjas aangetrokken en zat stilletjes op zijn bed voor zich uit te staren. Naar Nol, dacht ik, naar Nol! Ik voelde mij reeds in de veilige hoede van mijn machtige vader.

Zwijgend kleedde ik mij aan en pakte mijn koffer. Met de deurkruk in mijn hand keek ik om. Hij verzamelde nu eenmaal geluiden. Ze hadden daarmee leren leven als iemand, die op de aanvliegroute naar Schiphol woont.

In het verlangen zich een eigen wereld te creëren, had hij een imposant geluidsarchief bij elkaar gesprokkeld. Daar kon de bbc nog een puntje aan zuigen. Je kon het zo gek niet bedenken, of het was er. Van de ontploffing van de eerste hbom, tot het huilen van een vrouwelijke baby. Van schietende nazis tot schietende stasis, die geluiden leken erg veel op elkaar. Van 2 hooggehakte dames, tot paard in draf, het verschil kon je moeilijk horen.

Van boerenkar op landweg, tot spitsuur op de champs élysées, die hadden ook veel overeenkomst, het schoot allebei niet erg op. Héé zullen we is even met zijn allen keihard op de grond stampen? Ja zullen we is doen?

Ik nee namelijk altijd dit programma op en dan kom ik vanavond thuis, dan draai ik dat bandje terug ik zet het volume op tien en dan zeg ik: Ik heb een keer in Roermond 5,5 gehaald, daar moeten we vanavond overheen. Bedankt, ik zal dit niet licht vergeten.

Overal waar het geluid hem heen bracht, daar was hij. Kwam het geluid van de metro van Amsterdam tot hem, dan waande hij zich in een overvolle wagon, omstuwd door zwartrijders, die gewapend met scherpe fileermessen en korte hakbijlen de controleurs te lijf gingen.

Draaide hij een bandje met muziekwinkelgeluiden dan was hij in een muziekwinkel. Zette hij een bandje op met open haardvuur, dan werd het vanzelf warm en gezellig in huis. Wilde hij een avond naar het café, dan stopte hij zijn kroegcassette in de recorder, startte, en hij was in de kroeg.

DE PIANO HEEFT GEDRONKEN en die barkruk heeft iets weg van jou het urinoir speelt Mozart en de flipperkast brult het Wilhelmus En de prijslijst heeft inflatie en mijn stropdas doet een hazeslaapje het tapijt moet naar de kapper en de gordijnen hebben hooikoorts de piano heeft gedronken de piano heeft gedronken de asbak gaapt luidruchtig en de viltjes hebben kippevel en de radio heeft keelontsteking en de pinda.

Zijn geluidenverzameling was wat de naald is voor de verslaafde. Zijn geluiden waren wat de muzikale fruitmand moet zijn voor de terminale EO-patient. Zijn cassetterecorder was de parachute, voor de piloot. Tenminste, als die open ging. Als hij dichtbleef, sloeg deze vergelijking de plank volkomen mis. Zijn cassetterecorder was de aan elkaar geknoopte lakens, het in een cake verstopte ijzerzaagje, de vluchtauto met handlangers, de helikopter en de omgekochte cipier tegelijk.

Hij kon prachtige wandelingen maken in om het even welk bos. Dan startte hij zijn boscassette en verstoof met zijn spuitbus met boslucht wolkjes woudgeur zijn kamer in. Hij had een spuitbus met boslucht, ozonvriendelijk, anders loste je er nog niets mee op.

Ja, de ozonlaag maar dat kon niet de bedoeling zijn. Tijdens een van deze schitterende wandeling de blauwe route, of het kon ook wel de rode paaltjes geweest zijn, bedacht hij zich, dat hij toch maar bofte. Moeder natuur mocht dan langzaam door de mensheid haar nek worden omgedraaid, voor hem bleef zij tenminste op cassette nog behouden.

Hij kwam zelden mensen tegen in het bos. Af en toe een paar joggers. Maar verder kwam hij bijna nooit mensen tegen, in het bos. Een keer was hij de electriciteitsmeteropnemer tegengekomen. Maar in het bos was geen stroom, dus hij had hem weggestuurd. Een andere keer had de melkboer gevraagd of er nog melk moest zijn. Dat kocht hij thuis wel, anders moest hij er het hele eind mee lopen sjouwen.

Hij kende alle vogels bij naam. Zeldzaam waren de prachtige momenten dat hij de zang van de kneu hoorde. Op heel soms de polifinario, omdat er door een technisch misverstand een klein stukje van een theatershow van Toon Hermans op de boscassette terecht was gekomen.

Met dat geluid nog in zijn oren liep hij dan tevreden en opgeruimd weer naar huis. Ik had eens een vriend en die jongen had zo'n achtelijke hobby! Hij was daar erg goed in. Hij kon werkelijk alle eetbara van alle oneetbare paddestoelen onderscheiden. Nou ja behalve die ene dan.

Dat was wel een heel mooi exemplaar. Er stond ok nog iets op: Utrecht 4, Bunnik 2. Af en toe ging hij naar de stad. Dan startte hij zijn stadsband en verstoof met zijn spuitbus met benzinelucht wolkjes stikstofoxide en koolmonoxide de kamer in. Hij had een spuitbus met benzinelucht. Het was er druk. Hij flaneerde langs de boulevards, temidden van auto. Haringkramen, zwervers, junks, straatmuzikanten, draaiorgels, het hoorde er allemaal bij.

Soms liep hij tot diep in de nacht tot in de kleinste sloppen en stegen, maar hij vond nooit een hoer. Als hij niet in de stad was, op het land, in het café, bij het vuur, of waar dan ook, was hij wel bij zijn vijver te vinden. De vis was niet te beroerd, telkens als hij zijn hengeltje uitwierp, even in het aas te bijten. De vis wist toch wel dat hij niet verorberd zou worden. Vis bakken dat kon hij niet, laat staan fileren.

Van de eerste nederlandse hengelsportvereniging voor visueel en anderszins gehandicapten, een naam waarmee menig lid in de knoop raakte, had hij een sprekende dobber gekocht. Vroeger luisterde hij tijdens het vissen veel naar de radio. Maar sinds goedkope ellende, nonsense en gebakken lucht in de ether de eerste partij waren gaan blazen, had hij het medium definitief het zwijgen opgelegd.

Urenlang kon de radio noninformatie in je oren spuiten, waar je als luisteraar totaal niet om gevraagd had. Tot zover demis roessos met my friend the wind.

Het is tien voor tien geworden bij EO's tijdsein en we gaan praten over de valutacrisis binnen de europese gemeenschap. En dat doen we met onze correspondent in Straatsburg, Haje Thomas. De uiterst deplorabele situatie van het britse pond was voor premier Mayor aanleiding de Duitse centrale bankop zijn knieën te gaan smeken, de hoge rentestand omlaag te brengen.

Pas dan zou het pond weer iets ruimer in zijn financiële jasje komen te zitten waardoor de geldmarkt weer even opgelucht adem zou kunnen halen. Sinds hij de radio definitief monddood had gemaakt, was het stiller geworden, bij hem in huis.

En stiltes waren vijanden van zijn wereld. In stiltes kon je zoveel horen. De koelkast, die aan- en uitging het tikken en suizen in de buizen van de centrale verwarming klikklakkende meisjeshakken Het ophalen van vuilniszakken klopborende buren en de bel, van de versman lijn 4, die eens per tien minuten langskwam.

Na verloop van tijd Twee dagen later kreeg hij een wereldidee. Hij kocht een wereldontvanger. Dat was nog eens wat anders dan dat laag bij de grondse gebeuzel op onze nationale radio. In zijn kamer kon hij nu de hele aarde bereizen. Dagenlang zat hij gefascineerd te luisteren naar radio Ho tsji Minstad, De stem van Swaziland, radio Utrecht, radio freedom, the voice of America en radio Moskou.

De glasnost stroomde zijn kamer binnen. Maar het was waar. Ze had zo lang voor het vlees in de rij moeten staan, dat het bedorven was, tegen de tijd dat ze thuiskwam. O, wat was hij in zijn sas met zijn nieuwe wereldradio. Hij hoorde verre, vreemde verslagen over revoluties en staatsgrepen, en rare berichten in exotische talen. Hij verstond er geen zak van, maar hij vermoedde wel, dat er duizenden doden bij vielen.

Ik heb laatst een bijnadoodervaring gehad, ken je dat? Het was prachtig precies zoals je je het voorstelt. Met een tunneltje met aan het eind licht en petrus en zo, schitterend.

Maar weet je hoe dat nou kwam? Nou dat was eigenlijk heel stom maar ik had mijn tanden per ongeluk gepoetst met midalgan, die tubes lijken zo ontzettend veel op elkaar. Maar het was zo fantastisch en ik had ook helemaal geen spierpijn meer en ik kreeg het lekker warm, dat kwam natuurlijk door het vagevuur. O, als ik dood zal, dood zal zijn. Kom dan, en fluister iets liefs.

Mijn bleke ogen zal ik opslaan, en ik zal niet verwonderd zijn. Ja, mooi hè, dat is poëzie. Dat is een hel oud gedicht van J.

Hij is nou al lang dood, maar hij heeft daar toch maar mooi over geschreven. Volgens mij was Leopold de eerste nederlander die een bijnadoodervaring heeft gehad. Ik verzamel gedichten over dood. Ik heb al een hele plank vol. Plank hangt boven mijn bed, als die morgen naar beneden flikkert ben ik hartstikke dood, maar ik kan er nog wel even een doen, deze is van P' C.

Boutens, ook een hele oude dichter, ook al lang dood. Goede dood, wiens zuiver pijpen, nou nee dat lijkt me in dit verband toch niet zo'n geschikt voorbeeld. Weet je wat het is met die dood, leuke mensen gaan altijd te vroeg dood, en de grootste eikels worden honderd. Volgens mij doen ze het er ook een beetje om, die eikels.

Volgens mij gaan ze gewoon zo lang mogelijk zitten zieken hier op aard, om zoveel mogelijk mensen maar het leven zuur te kunnen maken.

Ik zelf ga bijvoorbeeld heel vroeg dood, en nou zat ik laatst bij de tandarts, en daar lag een blaadje van de nederlandse donorvereniging. Die hebben zo'n veertiendaags orgaan, ja zelfs in braille, dat is voor de mensen die op een hoornvliestransplantatie zitten te wachten, en in dat blaadje stond een heel interessant artikel over de zwarte donororganenmarkt.

Daaruit bleek dat een gemiddeld mens voor ongeveer acht ton aan organen in zijn body heeft zitten. Als er leven na de dood is kan je op die manier een behoorlijk vermogen opbouwen.

Maar ja, dat weet je nooit zeker en om nou je nabestaanden op te zadelen met een vermogen van acht ton, dan krijgen ze weer ruzie en slaan ze mekaar de hersens in en dan gaan die ook allemaal weer dood. Uiteindelijk heb ik besloten een donorcodiciel in te vullen. Ik heb daar wel een voorwaarde aan verbonden. Ik heb gezegd okee jongens ik vul dat donorcodiciel in, maar dan wil ik wel dat mijn organen na mijn dood nuttig gebruikt worden. Dus, stel dat ik eerder kom te overlijden dan Janmaat, en Janmaat zou na mijn dood nog veel plezier van mijn ogen kunnen hebben, dat is wat mij betreft geen enkel probleem.

Ik vind dat meer mensen zo'n donorcodicil zouden moeten invullen. Ik vind dat iedereen zijn steentje aan deze problematiek moet bijdragen, al is het maar een niersteen. Niets meer om handen, hart verpanden. Daar ben ik heel hard in. Ik durf zelfs te stellen: En somaliërs mogen nog best politiek asiel aanvragen in Nederland, maar dan wel op schiphol, maag eruit, hebben ze tenminste geen honger meer. Studenten mogen nog best zes jaar studeren maar dan wel, linkerhersenhelft inleveren, en corpsballen de rechter.

En ik vind dat al die trendy lui die zo nodig naar een blinde cabaretier moeten komen kijken, hun verwende kloteogen nou eindelijk maar eens bij die organenbanken zouden moeten Gadverdamme waarom verzin ik dit toch allemaal.

Vind je het niet vreselijk dat dit soort gedachten überhaupt tussen twee slapen heen en weer kan ketsen? Ik word soms toch zo ziek van mezelf! Ik had dat laatst ook weer eens en weet je wat ik toen gedaan heb? Toen heb ik maar eens een slokje uit een flesje oil of olas genomen. En weet je wat er gebeurde? Ik werd een en al zachtheid van binnen. Zachtheid, goedheid en blijheid.

Ik begon zelfs een beetje in god te geloven en er kwam een collecte aan de deur. Een collecte, voor blinden en ondanks de nederige excuses van de collectante pakte ik met een brede glimlach mijn portemonnee, en ik stortte al het geld dat ik had in die bus.

De bus werd ontzettend zwaar, de collectante liep bijkans krom toen ze naar de volgende op weg ging. Nou, die gaat straks de wao in, dacht ik, maar dat geeft niet, want dan kan ik voor haar ook weer geven. O het was zo geweldig, ik gaf aan alles.

Ik gaf aan de wilde ganzen, die ik vroeger alleen maar gegeten had, ik gaf aan weesjes in Roemenië, ik begon zelfs platen van Gert en Hermien te draaien. O het was zo geweldig, ik voorzag junks van overdoses, zwervers bood ik achtgangendiners aan, tot op een dag het flesje leeg was. Toen ging de bel, het was de deurwaarder.

Hem kon ik niets meer geven. Na verloop van tijd ontdekte hij, dat je op de wereldontvanger ook de polietieradio kan afluisteren. Op uiterst luchtige wijze werd daar gedebatteerd over de ernstigste delicten. Langzaam maar zeker werd hij door de wereldradio geobsedeerd. Steeds vaker meende hij het woord dood te horen, in alle talen. Wat een verrotte troep was het toch op die ellendige wereld. Ik vertrouw niet op de joden omdat ze palestijnen doden de palestijnen vertrouw ik ook niet omdat ze joden doden ik vertrouw niet op de zoeloes omdat ze cxosas doden de cxosas vertrouw ik ook niet omdat ze zoeloes doden de sjiieten, de soenieten, zijn al jaren op elkaar aan het schieten de kirgiezen, de oezbeken willen het liefst elkaars nek breken iedereen wil uebermensch zijn dat is altijd zo geweest, en dat zal altijd wel zo blijven, zolang er mensen zijn.

Armeniërs, azerbeidjanen vietnamezen, amerikanen chinezen, tibetanen indiërs en pakistanen koreanen amerikanen russen, afghanen christenen mohammedanen iedereen wil uebermensch zijn. Hij werd steeds bozer en agressiever. Dan probeerde hij zich tot kalmte te manen, door urenlang in het bos te gaan wandelen. Ook in de stad vond hij nergens rust. Soms was hij zo kwaad, dat hij wel bushokjes in elkaar zou willen trappen, maar hij wist niet waar die stonden.

Twee dagen later deed hij iets, dat hij nog nooit gedaan had. Hij verliet de veilige begrensdheid van zijn kamer, en liet zich per taxi vervoeren naar een heuse muziekwinkel. Daarbinnen stonden alle denkbare en ondenkbare instrumenten opgesteld. Klarinetjes, trompetjes, kornetjes, fagotjes, hoorntjes, trombonetjes tubaatjes, saxofoontjes suzafoontjes blokfluitjes, dwarsfluitjes bazuintjes, kromhoorntjes, pommmertjes zinkjes schalmeitjes kazoetjes mondharmonicaatjes accordeonnetjes bandoneonnetjes melodicaatjes harmoniumpjes orgeltjes synthesizertjes clavecimbeltjes clavicortetjes hammerklaviertjes, pianootjes fortetjes vleugeltjes spinetjes draailiertjes altviooltjes cellootjes contrabasjes, vedeltjes gambaatjes viooltjes, violofoontjes zingende zaagjes, balalaikaatjes banjootjes joekelilletjes basgitaartjes gitaartjes cembalons citartjes luitjes mandolinetjes mondharpjes bongootjes castagnetjes congaatjes handtrommeltjes pauketjes sambaballetjes tablaatjes tamboerijntjes, vibrafoontjes xylofoontjes buisklokjes triangeltjes etceteraaatje etceteraatje.

Hij vroeg aan de verkoper of hij hem er heen wilde brengen. Ik vind het heel moedig als mensjes zoals u stapjes gaan ondernemen op hun levenspaadje, maar het moet wel leuk blijven, nietwaar. Ik vind het prima, als ze alle drempeltjes onder de deurtjes weghalen, maar het mag niet gaan tochten, wat maar al te vaak gebeurt.

Ik herinner mij een sprookje, dat daar over ging. Maar de blinden vonden dit niet leuk. En ze vroegen God? En de blinden vroegen: Maar de blinden namen dat niet. Ze onttroonden God, en zetten een jongen die nog een heel klein beetje kon zien op de troon, koning eenoog. En toen koning eenoog een half jaar aan de macht was, gebeurde er een wonder. Door een geweldige operatie kreeg hij zijn gezichtsvermogen terug. Maar ja, je kunt nog zulke goede ogen hebben, als daar een enorm dom stel hersens aan hangt, stelt het natuurlijk nog niets voor.

En koning Eenoog was heel erg dom. Hij was het resultaat van 30 generaties inteelt die weer het resultaat waren van 35 generaties inteelt. Vergeleken bij hem was Willem alexander een genie. En de koning ging weer zitten, en overzag zijn rijk met zijn klare, heldere, doch uiterst lege blik, en nu deed koning Eenoog iets heel erg doms.

Hij begon bevelen te geven en decreten uit te vaardigen, want hij wist wat goed was voor de blinden. Maar één blinde was het daar niet mee eens. Hij liep door alle mijnevelden heen, kroop onder het prikkeldraad door, maar hij had nog geen vijftig meter in onze vrije wereld afgelegd, of hij werd overreden, door een trekker van een boer, die op het land bezig was met boeren en toch niks beters te doen had.

Heeft u dan geen moraaltje gehoord meneertje in dit sprookje, reik nooit verder dan uw stok lang is. Ik had concertpianist kunnen worden maar ik heb het niet gedaan, want ik had een gezin te onderhouden. Je moet als mens je beperkingen kennen Het gebeurt niet, en ik ga nu een ander klantje helpen. Nu kon hij zelf de bliksem laten sissen, de donder laten rollen, de zwepen van de koetsiers laten knallen, salvo's lossen uit ak47 machinegeweren, bommen tot ontploffing brengen bij gebouwen van rechtse instellingen, en eindeloze goederentreinen door de kamer laten rijden.

Door de treinen ontdekte hij de kracht van het ritme. Zo'n soort indianenreservaat maar dan voor blinden. Dat lag vlakbij de Douwe Egbertsfabriek dat blindeninstituut. Als je vijf seconden je kop buiten de deur hield had je gelijk honderd waardepunten gespaard. Maar op dat blindeninstituut hadden wij een leidster, juffrouw Klaartje. Ze was ongetrouwd, achter in de veertig, en ze wist wel, dat ze de rest van haar leven op dat blindeninstituut zou moeten slijten.

En laat het nou net die juffrouw Klaartje zijn, die 's avonds aan mijn kinderbedje kwam zitten. Dan blies ze haar stinkende, gefrustreerde adem in mijn onbevlekte kindergezichtje en dan zei ze: Voor de deur stond een man, die engels sprak. I,m the manager of the most famous popgroup in the world, and tonight we should give a concert.

But one of the members of the band has fallen ill, the drummer.

Lekker jong kutje pijpen in de natuur

Mijn vader en oom Henri studeerden beiden kunstgeschiedenis en kwamen geen van beiden ooit aan hun doctoraal toe. Een rouwproces heeft niet alleen te maken met het overlijden van dierbaren. Ik ken heel wat amfetamine verslaafde ADHDers. Hij vroeg "dokument bewaren"? Hij begon bevelen te geven en decreten uit te vaardigen, want hij wist wat goed was voor de blinden.